EU moet voor uitbreiding eerst nog huiswerk maken; Hongarije heeft verzoek om toetreding al aangekondigd

BRUSSEL, 3 MAART. Zweden, Finland en Oostenrijk hebben nog maar nauwelijks een akkoord gesloten met de Europese Unie, of een nieuw aspirant-lid kondigt zijn komst al aan. De Hongaarse premier, Peter Boross, liet gisteren tijdens zijn bezoek aan Bonn doorschemeren dat zijn land het verzoek om tot de EU te mogen toetreden in april in Brussel zou deponeren.

De aankondiging van Boross, van harte ondersteund door bondskanselier Kohl, toont aan dat samenwerking binnen de Europese Unie nog steeds een “aantrekkelijk” perspectief is, zoals de Franse minister van europese zaken, Alain Lamassoure, gisteren in Parijs al zelfvoldaan concludeerde uit het voornemen van Zweden, Finland en Oostenrijk om zich aan te sluiten bij het Europa van de Twaalf. “Na alle moeilijkheden die we hebben gehad met de ratificatie van het Verdrag van Maastricht, ook in Frankrijk, is het zeer opbeurend om te zien dat er van de Europese Unie aantrekkingskracht blijft uitgaan op de rest van het continent”, aldus Lamassoure.

De Franse minister heeft gelijk. De Zwiters houden zich eigengereid afzijdig, de Noorse regering aarzelt nog om toe te happen, de Finse en Zweedse bevolking gaat in een referendum misschien tegen stemmen, maar in de rest van Europa klopt men steeds luider op de deur van de Europese Unie. De Poolse premier, Waldemar Pawlak, gaf begin vorige maand bij zijn bezoek aan Brussel nog van zijn ongeduld blijk, door te stellen dat de dagen van mooie woorden en verklaringen over samenwerking en toenadering voorbij zijn. Polen wil, net als Hongarije, haast maken met toetreding tot de EU.

De vraag is evenwel of de EU op haar beurt ook zo'n haast wil en kan maken. Het antwoord is waarschijnlijk 'nee', het enthousiasme van bondskanselier Kohl over de Hongaarse toenadering ten spijt. Het Europa van de Twaalf - vanaf volgend jaar mogelijk Zestien - heeft nog te veel huiswerk te doen om zich de komende jaren al een nieuwe uitbreiding in oostelijke richting te kunnen permitteren.

Wenen, Warschau en Boedapest mogen dan evenzeer “polen van de Europese cultuur” zijn als Brussel, Amsterdam of Londen - zoals voorzitter Jacques Delors onlangs opmerkte - feit is ook dat de Unie haar koers kwijt is en dat er volgens dezelfde Delors dringend behoefte is aan een fundamentele bezinning op 'la grande Europe'. Hoe ver reikt het Europa eigenlijk, waarover al in het Verdrag van Rome wordt gesproken maar dat ook daarin niet nader wordt gedefinieerd?

Het afbakenen van die grens is misschien nog wel de gemakkelijkste opgave waarvoor de Europese Unie staat. Veel moeilijker zal het zijn om van een 'open' Europese Unie ook een efficiënt samenwerkende en bestuurbare gemeenschap te maken. De ingewikkelde discussie over de verandering van de stemverhoudingen in de ministerraad die maandag in Brussel gevoerd gaat worden is daarvan alvast een voorproefje. Met de toetreding van Zweden, Finland, Oostenrijk en Noorwegen moet volgens berekeningen het aantal stemmen om in de ministerraad een besluit te blokkeren, worden opgetrokken van 23 naar 27. Spanje en Groot-Brittannië maken zich sterk het stemmental op 23 te handhaven, als dit door drie landen (twee grote landen en een klein land) bijeengebracht wordt. De macht van de lidstaten om communautaire beslissingen te blokkeren is het Europees Parlement een doorn in het oog en het verzet zich dan ook tegen de Spaans-Britse eis. Met het Europees Parlement moet in die zin rekening gehouden worden dat het nog zijn goedkeuring voor de uitbreiding moet geven.

Bij een nieuwe expansie - zelfs al zou het gaan om 'kleine' landen als Malta en Cyprus - gaat de institutionele discussie over de EU pas echt beginnen. Omdat 'mechanische' uitbreiding van de Commissie en andere EU-instituties bij verdere uitbreiding niet meer mogelijk is, zal bij de evaluatie van het Verdrag van Maastricht in 1996 de discussie over 'verdieping' of 'verbreding' van de Unie op het scherpst van de snede gevoerd worden. De kern van die discussie is de vraag inhoeverre het negentiende-eeuwse model van nationale soevereiniteit in een federaal Europa is te handhaven. Gaat de Europese integratie verder met institutionele afspraken om Europa samenhangender en democratischer te maken, of blijft de samenwerking steken in intergouvernementele afspraken, waarbij elke lidstaat gemeenschappelijk optreden kan frustreren?

Dat die fundamentele richtingenstrijd tussen 'federalisten' en voorstanders van een meer vrijblijvende samenwerking binnen de EU nog moet worden gevoerd, komt natuurlijk wel slecht uit. Nu de landen in Midden- en Oost-Europa naarstig op zoek zijn naar houvast in het Westen, zou een duidelijk toekomstperspectief welkom zijn. Eigenlijk is nu het 'momentum' om een flinke stap voorwaarts te doen en de landen in Centraal-Europa voorgoed los te weken uit de in de toekomst mogelijke invloedssfeer van Vladimir Zjirinovski.

Voorlopig moeten Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Roemenië en Bulgarije zich evenwel tevreden stellen met de zogeheten Europa-akkoorden, die vorig jaar gesloten werden. Die voorzien in verregaande economische samenwerking en bieden uitzicht op het lidmaatschap van de EU. Maar om voor dat laatste in aanmerking te komen, moeten de landen politiek en economisch wel een gelijkwaardige partner zijn voor de lidstaten van de EU. Terwijl Zweden, Oostenrijk en eventueel Noorwegen worden verwelkomd als netto-contribuanten aan het EU-budget, zijn de potentiële lidstaten uit Midden- en Oost-Europa nog veel te arm voor de EU.

In Brussel wordt er vanuit gegaan dat de nieuwe groep van kandidaten op zijn vroegst in het begin van de volgende eeuw volwaardig lid kan worden van de EU - als hun welvaart is gegroeid en ze hun democratische gezindheid hebben bewezen. Maar naarmate Zjirinovski harder gaat schreeuwen, of de onvrede onder de eigen bevolking stijgt, neemt in de betrokken landen de behoefte aan veiligheid en economische steun toe. En zal tegelijkertijd in West-Europa het onrustige gevoel groeien dat er meer moet worden gedaan om de nieuwe entiteiten in het Europa van na de Koude Oorlog veilig te stellen.

De EU mag organisatorisch dan niet klaar zijn voor een nieuwe uitbreiding, de ontwikkelingen in de rest van Europa dwingen tot optreden. Tegen die achtergrond is het begrijpelijk dat bondskanselier Kohl de Hongaren aanmoedigt zich bij de EU aan te sluiten, en niet lijdzaam afwacht tot de institutionele problemen zijn opgelost. Duitsland heeft bovendien belang bij expansie van de EU omdat een nauwere band met de zogeheten Visegrad-landen het land nog duidelijker in het centrum van Europa zal plaatsen dan het geval is na de uitbreiding met Oostenrijk, Zweden en Finland. Het is dan ook vooral de Duitse minister van buitenlandse zaken, Klaus Kinkel, geweest die de afgelopen dagen alles op alles heeft gezet om met buurland Oostenrijk en de Scandinavische landen tot overeenstemming te komen. Mogelijk wordt de discussie over 'verdieping' of 'verbreding' van de EU de tweede helft van dit jaar al ingezet, als Duitsland de voorzittershamer overneemt van de Grieken.