'De analytische benadering is niets voor de Islamitische landen'

De Encyclopedie van de Islam is het standdaardwerk voor de Islamitische wereld. De redactie zetelt in Nederland. In de Arabische landen zijn herhaaldelijk pogingen ondernomen om tot hetzelfde te komen. Mislukt.

In zijn 'islamitische reisverslag' Among the believers verhaalt V.S. Naipaul van zijn bezoek aan Mashhad, een heilige stad in het oosten van Iran, vlak bij de Russische en Afghaanse grens. Een moslimgeleerde van de plaatselijke universiteit houdt een ontmoeting met de buitenlandse gast angstvallig af - het zijn de dagen van de islamitische revolutie. Wanneer Naipaul aanhoudt is de reactie: 'Kent u de Encyclopedie van de Islam? Een Nederlandse publikatie. Het geeft u alle informatie die u maar wilt, over de Islam en over Mashhad.''

Kennelijk doelde de Iraanse geleerde op de oude, eerste editie, gereedgekomen tussen 1913 tot 1936. In de zomer van 1979, toen Naipaul Mashhad bezocht, was de tweede editie pas bij de letter 'k'.

Op het moment is de tweede editie gevorderd tot de letter 'r'. Pas in 2008 zal de nieuwe Encyclopaedia of Islam, inclusief supplementen, persoons- en zakenregister en een verklarende begrippenlijst, zijn afgerond. Dat is ruim zestig jaar nadat in Oegstgeest, ten huize van de oriëntalist en Koranvertaler J.H. Kramers, de aanzet tot de tweede editie was gegeven.

Inmiddels wordt bij uitgeverij E.J. Brill nagedacht over een derde editie. Die zal op een andere leest worden geschoeid. Na honderd jaar ervaring met de encyclopedie is het tijd voor een andere opzet. Het moet breder, en vooral: professioneler.

Vertrekpunt

De Encyclopedie van de Islam geniet groot aanzien, zowel in het Westen als daarbuiten. Het is een schatkamer aan kennis. Gegevens over vooraanstaande moslims, volksstammen en dynastieën, kunst en wetenschap, politiek en religie, geografie, etnografie, flora en fauna, geschiedenis, topografie en monumentale steden - het staat er allemaal in. Geen islamwetenschapper die zonder kan. Van Arabieren tot Ottomanen, van de black muslims tot de Westeuropese gastarbeiders, de encyclopedie is het vertrekpunt. Al was het maar om via de biblografie een indruk te krijgen van wat er aan publikaties beschikbaar is.

De encyclopedie kon aan het eind van de negentiende eeuw ontstaan door een hernieuwde, koloniale belangstelling voor de islam. Er was behoefte aan betere kennis van de volkeren die men bestuurde, kennis die in de bestaande literatuur niet voorhanden was.

De eerste aanzet werd gegeven op het internationale oriëntalistencongres van 1892. Ondanks het enthousiasme verliep de aanloop moeizaam, het duurde tot 1908 voor het eerste 'fascikel' (aflevering) verscheen onder auspiciën van de Association Internationale, de Internationale Associatie van Academies van Wetenschappen. Dit na veel voorbereidend werk van de Leidse oriëntalisten De Goeje, De Stoppelaar en Houtsma.

Omdat uitgeverij E.J. Brill van begin af aan grote interesse had getoond, zetelde de redactie in Nederland. Een duidelijke visie bestond niet, men begon gewoon. Bevriende collega's - het wereldje van de oriëntalisten was nog klein - werden uitgenodigd een artikel in te sturen. Toen men het niet eens kon worden over de vraag in welke taal de encyclopedie moest verschijnen, besloot men tot een Franse, Duitse én Engelse editie.

'Dat was vragen om moeilijkheden'', vindt dr. E.J. van Donzel, oud-directeur van het NINO , het Nederlands instituut voor het Nabije Oosten. Sinds 1965 is hij bij de encyclopedie betrokken, de laatste jaren als redacteur en 'secretaris-generaal van het Uitvoerend Comitee'. Van Donzel: 'Het gevolg was dat alle trefwoorden in het Arabisch moesten, omdat anders de drie edities niet meer gelijk op konden werken. Constitution staat nu onder dustûr en encyclopaedia onder mawsû'a. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dat misschien een voor de hand liggend uitgangspunt, maar voor de algemene gebruiker - ik denk aan een historicus - is het een ramp. Die kan niks vinden.''

Kolonialistisch

Toen na de Tweede Wereldoorlog de status van veel islamitische landen veranderde, was een tweede editie onvermijdelijk. Van Donzel: 'De mentaliteit van de eerste versie van de encyclopedie was door en door kolonialistisch. Zo was Nederlands-Indië zeer ruim vertegenwoordigd. Dat veel Arabische landen al na het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk zelfstandig waren geworden, of onder een mandaat gekomen, had die kolonialistische gedachtengang niet wezenlijk beïnvloed. Met aanvullingen en supplementen alleen viel dat niet recht te breien.''

In 1949 begon men opnieuw, uitgaande van dezelfde - zij het aangevulde - trefwoordenlijst, naar de kleur van het omslag 'Grey book' genoemd. Van Donzel: 'De opzet van de eerste encyclopedie is als een zware last op de tweede blijven drukken.'' Zo bleef de meertaligheid met al zijn complicaties gehandhaafd, al sneuvelde 'als vanzelf' de Duitse editie.

Uit kostenoverwegingen had uitgeverij E.J. Brill aangedrongen op uitsluitend een Engelse versie. Maar toen de Franse oriëntalist E. Lévi-Provençal, een van de gangmakers van de eerste editie, te kennen gaf dat in dat geval de Franse geleerden hun medewerking zouden kunnen staken, haalde men bakzeil. Van Donzel: 'Ik heb dat verhaal nog niet eens zo lang geleden in een Frans gezelschap bij wijze van curiositeit verteld. Men barstte in applaus uit.''

Oliemaatschappij

Gebleven zijn dus de problemen met correcte vertalingen. Ook de financiële organisatie draagt de sporen van het verleden. Voor de eerste editie putte men uit gelden die de verschillende Europese Academies van Wetenschappen ter beschikking stelden. Na de oorlog lukte dat steeds minder. In 1963 klopten de toenmalige redacteuren bij Aramco aan, een oliemaatschappij die later door de Saoedi's is overgenomen en die een zeer lezenswaardig tijdschrift over het Midden-Oosten uitgeeft. Van Donzel: 'Dat leverde een eenmalig bedrag op van vijfenveertigduizend dollar. In een merkwaardig optimisme dacht men toen dat de Encyclopedie binnen vijftien jaar af zou zijn.''

En inderdaad: in 1978 was het geld op. Door bemiddeling van de islamoloog Bernard Lewis ontvangt de encyclopedie sindsdien driejarige grants van de Amerikaanse NEH, de National Endowment of the Humanities. Van Nederlandse zijde draagt het Oosters Instituut, nog door Snouck Hurgronje in het leven geroepen, jaarlijks ƒ 4000,- bij. Op het omslag van de fascikels wordt alleen het beschermheerschap vermeld van de Association Internationale.

Van Donzel: 'De huidige Academies van Wetenschappen munten uit in welwillendheid, maar eveneens in een gebrek aan geld. Van de KNAW (de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) krijgen we vijfhonderd gulden per jaar. Daarvan kan ik nauwelijks mijn reis- en verblijfskosten betalen van een redactievergadering in Parijs. Enkele tienduizenden guldens per jaar, daar moeten we het bij elkaar mee doen.''

Armzalige betalingen

Dus moet alles op een koopje. Zo hebben de redacteuren geen van allen een bureau, terwijl de af te handelen correspondentie enorm is. Het is liefdewerk. Auteurs krijgen tien gulden per kolom van vijfhonderdvijftig woorden. Van Donzel: 'Een ridicuul bedrag. Gelukkig vindt men het een eer om in de encyclopedie te staan.''

Niettemin zijn auteurs uit arme landen blij met het geld. Een jaar of drie geleden, toen de banken hun overboekingen zo zwaar gingen belasten dat Van Donzel twintig gulden extra kwijt was om een tientje over te maken, heeft hij het besluit genomen die 'armzalige betalingen' voortaan per brief af te handelen. Hij stuurt de auteurs nu per post bankbiljetten toe, netjes ingevouwen in lichtdicht papier.

De Encyclopedie van de Islam is een Westers project waar Westerse wetenschappelijke maatstaven gelden. Dat betekent een kritische, objectieve houding ten aanzien van het onderwerp. Dat kan in sommige islamitische landen problemen geven.

Van Donzel: 'De analytische benadering, het minutieus ontrafelen en becommentariëren van een tekst, is niet de hunne. Een tekst, zo menen zij, is correct omdat hij is overgeleverd.''

Om een geste te maken zijn uit de moslimwereld enkele 'associated members' aangezocht om het 'executive committee' van de Encyclopedie te ondersteunen, een erebaantje. Ook probeert men onnodig kwetsen te voorkomen en beladen onderwerpen als 'homoseksualiteit' of 'besnijdenis' komen voor rekening van de redactie en komen niet op naam. Van Donzel: 'Als lichaam sta je sterker dan als individu. Terecht citeert Lewis een Perzisch spreekwoord: Het citeren van blasfemie betekent nog niet het verkondigen van blasfemie.''

Poolse landdag

Er zijn verschillende pogingen ondernomen om tot een Arabisch-islamitisch equivalent te komen. Maar de initiatieven van Academies in Kairo, Rabat, Damascus en Amman slaagden geen van alle. De islamitische geleerden konden het nooit eens worden. Zo hebben sunnieten en sji'ieten uiteenlopende visies op cruciale historische gebeurtenissen binnen de islam.

Van Donzel: 'Ik ben in Amman geweest, op uitnodiging van prins Hassan, de broer van de koning. Of wij met hen wilden samenwerken bij het maken van een Arabische encyclopedie. Natuurlijk willen wij dat. Geld speelde geen rol, er was achttien miljoen dollar beschikbaar, ik geloof uit Koeweit. Ik heb toen gevraagd eerst een aantal sjeichs van moslimuniversiteiten bijeen te roepen, om het idee te bespreken. Had je moeten zien wat er gebeurde toen ik op die samenkomst de naam 'Muawiya' liet vallen, de geruchtmakende vijfde kalief uit de zevende eeuw. Een Poolse landdag was het.''

In Turkije, waar kerk en staat formeel strikt gescheiden zijn, is het wel gelukt. De Turkse Islâm Ansiklopedisi, in 1986 voltooid, is gedeeltelijk een afgeleide van de eerste editie van die van Brill. Omgekeerd mag de tweede editie van Brill uit de Turkse encyclopedie putten. Opvallend - en tekenend voor de positie van de Turkse staat - is dat Atatürk, in 1923 de stichter van de huidige Republiek, in zijn eentje driemaal zoveel aandacht krijgt als Allah en Mohammed samen.

Eén keer heeft de Turkse overheid de verspreiding van Brills tweede editie gefrustreerd. Dat was begin jaren tachtig, toen de militairen de macht hadden overgenomen. Van Donzel: 'In een overigens prachtig en uitgebalanceerd artikel over de Koerden en Koerdistan vermeldde een eerbiedwaardige Franse missionaris, die daar veertig jaar had gewerkt en gewoond en het gebied als zijn broekzak kende, dat ergens in de jaren twintig een Turkse legereenheid door de Koerden was verslagen. Die ene zin had tot gevolg dat het betreffende deeltje werd verboden. Ik heb de oekaze nog gezien, door generaal Evren persoonlijk ondertekend.'' Maar dat zijn rimpelingen. Later zijn ze gewoon bijbesteld.

De Encyclopedie van de Islam is het paradepaardje van Brill en in zekere zin de kurk waarop de uitgeverij drijft. De oude editie is in 1987 nog herdrukt. De vijftienhonderd gebonden exemplaren waren binnen vijf jaar weg. Niet naar Westerse bibliotheken - die hadden hem al - maar naar landen als Japan, Pakistan en Bangladesh.

Vorig jaar verscheen de vierdelige paperback editie. Die kost ƒ 850,- en loopt op de particuliere markt heel aardig. Al dringt zich de vraag op in hoeverre de rijke Arabier zich 'knollen voor citroenen' laat verkopen: veel kennis is verouderd. Maar de oude Encyclopedie is tenminste compleet en dat spreekt aan. Overigens ondervindt de nieuwe editie van dit alles geen hinder, integendeel. Brill-medewerker P. Gispen: 'Een aannemer uit Dubai bestelde er eerst een voor zichzelf, toen een voor zijn boekhouder en daarna nog eens zeven voor zijn kinderen.''

Strokenproeven

Intussen is het tempo waarin de afleveringen van de nieuwe editie verschijnen flink opgevoerd. Voor een deel ligt dat aan de techniek: tot 1979 werd de Encyclopedie in lood gezet en kon het gebeuren dat Van Donzel na de strokenproeven, de voorlopige en definitieve pagina-opmaak (alles in twee talen) niet tevreden was en alles nog eens terugstuurde. Met de komst van directeur F. Pruijt (onlangs plotseling overleden) kreeg Brill meer oog voor moderne ontwikkelingen. Nu zit alles in de computer. Dat maakt het mogelijk bij het verschijnen van elk nieuw deel ook het persoons- en zakenregister in bijgewerkte versie uit te brengen, wat de gebruiksmogelijkheden voor de niet-Arabist sterk bevordert.

Met het uitbrengen van supplementen is men gestaakt, eerst moeten de trefwoorden af. Pruijt had berekend dat in het oude tempo de encyclopedie pas in 2030 klaar zou zijn, onverteerbaar voor de abonnementhouders. Wel is men bezig een lexicon samen te stellen waarin alle relevante begrippen uit de islam worden uitgelegd. En nog dit jaar verschijnt een Islamic desk reference waarin Van Donzel in vierhonderdvijftig bladzijden de twintigduizend van de volledige Encyclopedie alvast samenvat.

De benoeming van W.P. Heinrichs, de enige van de vier redacteuren die niet met emeritaat is, moet volgens Van Donzel mede worden uitgelegd als blijk van waardering voor de kwalitatief hoogstaande inbreng die de Duitse oriëntalistiek van meet af aan in de Encyclopedie heeft gehad. Redacteuren doen hun werk onbezoldigd. De redactie komt driemaal per jaar bijeen, vaak in kasteel Morigny bij Parijs, om honderdtwintig trefwoorden - bij benadering de omvang van één fascikel - in anderhalve dag 'door te ploegen' en uit te zetten. Uit voorzorg krijgen de auteurs een bepaalde lengte toegemeten. Het komt zelden voor dat men zich niet aan de gemaakte afspraken houdt. Van Donzel: 'We vragen nooit iemand die juist een boek heeft geschreven, die laat z'n kaartenbak leeglopen.''

Minder filologisch

Bij de derde editie van de Encyclopedie zal cd-rom een belangrijke plaats innemen. Ook voorziet Peri Bearman, die bij uitgeverij E.J. Brill het fonds Midden-Oosten en islam beheert, een verbreding van de opzet: 'Wat minder filologisch en meer aandacht voor socio-economische factoren, politicologie en antropologie.''

Dat zou weleens kunnen botsen met wat men er in de oriëntalistiek van vindt. Daar ziet men de opgeslagen kennis niet gaarne aangetast. In ieder geval moet het allemaal professioneler. Bij de Encyclopaedia Iranica of Die Geschichte des Buches, om eens twee grootschalige projecten van concurrerende uitgeverijen te noemen, zijn de budgetten dankzij subsidies veel hoger en heeft men vaste medewerkers die aan hun werk een dagtaak hebben.

Ook de derde editie van de Encyclopedie zal moeten gaan werken met betaalde medewerkers. Over de financiering daarvan maakt Brill zich zorgen. Bearman: 'Een encyclopedie maak je voor vijftig jaar en weinig investeerders willen zo lang wachten.''

Maar voorop staat nog altijd het enthousiasme van de medewerkers, het idee dat het een eer is in de Encyclopedie te staan. Van Donzel: 'Als dat wegvalt, houdt het op. Voor artikelen van een paar duizend woorden over 'water' of 'navigatie' zijn nu mensen bereid het werk te doen voor een complete monografie. Als je als redactie dat voor elkaar krijgt, ben je goed bezig.''