Veel kerkverlaters blijven wel gelovig

Het recente rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau, 'Securalisatie in Nederland 1966 -1991' is interessant, maar niet zozeer door de resultaten. De christelijke kerken zijn onmiskenbaar statistisch aan het afkalven, maar blijven de grootste organisaties van vrijwilligers in ons land.

Opvallender zijn de reacties op het rapport. Daaronder zijn de bekende relativerende opmerkingen van kerkleiders in de trant van “kerken worden kleiner als gevolg van kwaliteitsverbetering”. Wetenschappers zeggen: “Er wordt hier maar een klein deel van godsdienst en geloof onderzocht, als het ware de empirische buitenkant” of “dit is een typisch Randstad-onderzoek; in de regio's, die nooit in een landelijke steekproef goed tot hun recht komen, is het veel beter gesteld met het geloofsleven en met kerkbezoek.”

Merkwaardig is dat men het de gewoonste zaak van de wereld vindt om de vitaliteit van kerkgenootschappen af te meten naar kerkbezoek, terwijl al in eerder onderzoek bleek, dat 91 procent van de Nederlandse bevolking vindt dat men gelovig kan zijn zonder naar de kerk te gaan. Naar aanleiding van dit gegeven uit het onderzoek 'Opnieuw God in Nederland' (1979) schreef de katholieke theoloog E. Schillebeeckx: “Natuurlijk kun je gelovig zijn zonder tot een kerk te behoren, maar normaal is dit niet. Het behoren tot een gemeenschap is altijd als typerend voor geloven gezien. Daarom moeten geloof en kerk samen kunnen gaan: 't valt niet te scheiden. Blijkbaar hebben dus de institutionele vormen van de kerken hun grenzen bereikt en zijn er nieuwe vormen nodig.” Kerkbezoek is de hoogste vorm van participatie. Bij politieke partijen en vakbonden, die ook fungeren als instituten voor maatschappelijk heil en algemeen welzijn, is het zeker geen gewoonte om eigen vitaliteit af te meten aan de opkomst bij 'vergaderingen', wat kerkdiensten in profane zin ook zijn. Ik had graag meer onderzoeksresultaten willen zien over het gedrag van kerkelijken die weinig neiging voelen om zich in een ander type organisatie, zoals het 'Humanistisch Verbond', te manifesteren om opkomend nihilisme te bestrijden. De meeste 'onkerkelijken' gedragen zich als de achterban van de kerk en stemmen zelf voor een belangrijk deel op een partij als het CDA. Uit eigen waarneming weet ik, dat nogal wat 'onkerkelijken' ineens weer present zijn bij liturgische diensten als er een familielid, een plaatsgenoot of een vriend of vriendin is overleden. Het liefst willen zij zelf ook 'kerkelijk' worden begraven en zien zij met genoegen dat hun kinderen een 'kerkelijk' huwelijk sluiten. Of zij zitten op de eerste rij in de nachtmis met Kerstmis.

Het SCP beperkt zich tot zogenaamde micro-processen. Daardoor blijven de noodzakelijke gevolgen van het zogenoemde emancipatieproces onderbelicht. Groepen die heel strijdbaar een sterk sociaal-religieus profiel hadden opgebouwd zijn uiteindelijk uit hun isolement vandaan gekomen en als het ware 'verdwenen' in de samenleving. Ik reken daartoe behalve katholieken en gereformeerden ook socialisten. Sinds het socialisme als arbeidersbeweging te maken kreeg met leden die veel minder financiële beperkingen kenden dan vroeger, verdween de motivatie van arbeiders om lid te zijn van een strijdbare politieke partij. Hetzelfde gold voor achtergestelde katholieken en gereformeerden en juist dit verschijnsel treft men tegenwoordig weer aan bij emancipatiebewegingen van moslims. Persoonlijk heb ik die integratie-processen, die soms ook tot assimilatie, dus tot het verdwijnen van de identiteit, hebben geleid, nooit betreurd. Kerken en de daarbij behorende sociale en culturele organisatie zijn slechts hulp-constructies in dienst van meer bewustwording en keuzevrijheid en soms ook van persoonlijke geloofsverdieping. De graankorrel sterft in de aarde en het zuurdesem verdwijnt in het brood. Zo is het nu eenmaal. Dat is het lot van iedere emancipatiebeweging.

Rond 1950 was 38,5 procent van de Nederlandse bevolking katholiek en werd er door die groep voor 47 procent aan de jaarlijkse bevolkingsaanwas deelgenomen. De emancipatie met zijn vele beschermende factoren en zijn groot elan was in de zestiger jaren definitief voorbij. Daarom zijn er zoveel Nederlanders 'van oorsprong' katholiek en wensen zij zich, om allerlei redenen, niet meer publiekelijk als katholiek en zeker niet als 'rooms-katholiek' te profileren. Je kunt ook zeggen: de strijd is gestreden, het defensieve katholicisme is voorbij. Als er niet meer gevochten wordt, behoef je ook niet te weten aan welke kant iemand staat.

Vaak wordt het beeld gebruikt van de emancipatie-trein, waarin gelovigen werden begeleid en gevormd door conducteurs van clericale snit. In de verzuilde compartimenten gebeurde hetzelfde. Als het eindstation is bereikt stappen allen als individuele reizigers uit, met hun persoonlijke bagage, en verdwijnen letterlijk in de menigte. Of hun bagage een hoge kwaliteit had mocht soms betwijfeld worden. Hun ouders vulden de kerken en de jongens waren misdienaar. Anton van Duinkerken zei eens over zijn geloofsgenoten, dat buitenlanders er altijd stomverbaasd over waren, dat onze kerken zo vol en onze geesten zo leeg waren. Al die vroegere katholieken in de wereld van kunst, wetenschap, bedrijfsleven, politiek, media en sport, zij zijn verborgen 'rooms' en ze hebben er allemaal een tik van meegekregen. Als er in de tv-serie 'Klasgenoten' een kruis aan de wand hangt, dan ontdek ik weer een katholiek en Koos Postema doet dan een eigen onderzoek en zal meestal vragen wie er nog naar de kerk gaat. Dat zal wel een idee zijn van producent Jef Rademakers, die zegt, dat zijn zwaarmoedigheid met zijn katholieke achtergrond heeft te maken. “Als ik niet zo'n pesthekel had aan kerk en christendom dan zou ik CDA stemmen” zegt hij. Maar in zijn Belgische woonplaats is hij lid geworden van de Bond voor Grote en Jonge gezinnen. “Het is de enige club waar ik nog lid van wil zijn” (Panorama, 6/1 1994).

    • Walter Goddijn