Romantiek op de schaats en een scheet onder het bidden

De vuurtoren. Regie: Pieter Verhoeff. Met: Hans Heerschop, Jaron de Paauw, Jacky Lok, Peter Tuinman, Joke Tjalsma, Annet Malherbe. Uitgezonden in drie delen door VPRO-televisie, Ned.3, zo 6, 13 en 20 maart, 21.21-22.21u.

Dat De vuurtoren, 'een film van Pieter Verhoeff' zoals de begintitels terecht melden, zijn eerste openbare vertoning beleeft als driedelige televisieserie, is nauwelijks meer discussie of nadere beschouwing waard. Ondanks enige problemen met de aanvankelijk brokkelige structuur van de vertelling, die wellicht bij projectie op een groot doek minder zwaar zouden wegen, vind ik het een van de belangrijkste Nederlandse speelfilms van dit seizoen, een moedige gooi naar iets groots. De brug tussen film en televisie, de plek waar enkele van de interessantste Nederlandse filmers op dit moment zichzelf kunnen zijn, is een administratieve voetnoot geworden, net zo vanzelfsprekend als de beslissing om de dialogen in het Fries te laten spreken met Nederlandse ondertitels, evenals in Verhoeffs eerdere film De Dream (1985).

Na het zien van Fellini's Amarcord besloot Verhoeff een film te maken - en voor het eerst ook alleen te schrijven - over zijn herinneringen aan een jeugd in Lemmer: geen strikte autobiografie, maar een, in eerste instantie losse collectie verdichte reminiscenties, met als verbindend thema het dilemma van weggaan of blijven, zoals in Edgar Reitz' Heimat. De doem van de provincie, het eeuwige buitenstaanderschap, de haat-liefdeverhouding tot de kleine, overzichtelijke wereld van je voorouders, de nuchtere ambivalentie ten aanzien van een groots en meeslepend leven, het zijn onderwerpen die op de achtergrond van Verhoeffs eerdere speelfilms altijd doorklonken. Ze namen de vorm aan van afstandelijke ironie, van voorzichtig ruiken aan melodramatische alternatieven, maar altijd toegepast op andermans verhalen en scenario's, zoals in het superieure Van geluk gesproken (1987). De vuurtoren is Verhoeffs eerste volledig persoonlijke film, die bovendien de losse eindjes, zoals na drie uur kijken pas blijkt, in een hechte constructie aan elkaar knoopt.

Het eerste deel begint in de zomer van 1949, als de 14-jarige Gerben (Hans Heerschop) zo lang onder water blijft, dat hij over zijn eigen overlijdensadvertentie fantaseert. De dood - van een verre grootvader, een ziek buurmeisje, een halsstarrige rat - loopt als een rode draad door het kleinschalige en voorspelbare bestaan in een Fries vissersdorp. Is er nog wat gebeurd de laatste tijd? Ja, Gouke heeft een scheet gelaten onder het bidden. Maar ook Eros dient zich aan in dit protestants-christelijke universum, dat niet zo repressief is als wij het ons nu misschien zouden voorstellen. De vuurtoren, relict van een glorieus bestaan aan de voormalige Zuiderzee en daardoor bedreigd met een symbolische afbraak, is de geheime plek, waar het overtreden van diverse geboden tot de verbeelding sprekende sporen heeft achtergelaten.

In het tweede deel doet de liefde zijn intree, in de vorm van de als een madonna vereerde notarisdochter Welmoed. Verhoeff trakteert ons op prachtige onverholen sentimenten, zoals nooit eerder in een Nederlandse film getoonde schaatsromantiek, het zwelgen in Hollywoodvoorbeelden en een daarnaar gemodelleerde, diep ontroerende verjaardagsserenade in de sneeuw. Ook de sociale werkelijkheid gaat een rol spelen, niet alleen door de perceptie van het verschil tussen het ouderlijk huis en de notariële salon, maar ook door het passeren van Gerbens vader (een perfect ingehouden rol van de stotterende Peter Tuinman) voor de functie van sleepbootkapitein, dank zij gekonkel van dominee en ouderlingen.

De deus ex machina in het derde deel is Gerbens oudere broer Fimme, die als held terugkeert uit Indië, maar daar niets over vertellen wil. Wel wordt hij 's nachts in paniek wakker en drinkt meer jenever dan goed voor hem is. Er dient zich een tragedie aan, die niet alleen aandacht vraagt voor een ander nooit eerder in speelfilms verbeeld thema uit de recente vaderlandse geschiedenis, maar ook keurig de eerder uitgezette dramatische lijntjes in een climax afrondt. Vlak daarvoor is Gerben voor het eerst met de dagboot naar Amsterdam gegaan. Een bezoek aan het Concertgebouw heeft hem voorgoed gewonnen voor noties als schoonheid en perfectie. Ook in Lemmer kun je trompet spelen, maar “ze zijn bij ons zo slordig met repeteren”.

Een terugkeer naar het verwoeste Arcadië van Verhoeffs jeugd kon alleen symbolisch gerealiseerd worden. Voor de film werd de vuurtoren opnieuw gebouwd en die staat nu weer aan de Lemsterdijk. Belangrijker is het monument dat de film zelf vormt: soms hoekig, en neigend naar clichés over de Nederlandse provincie, maar desondanks een oprechte visuele streekroman met aanzienlijke meerwaarde. Die ligt ook in de wil van een stugge Fries om eens geen afstand te houden en iets van zichzelf te laten zien. Het is een register dat Verhoeff nog niet zo goed beheerst als zijn gebruikelijke stiel, maar De vuurtoren belooft dat hij ook als filmer, op de boot naar nieuwe verten, zijn muze ontmoet en herkend heeft.

    • Hans Beerekamp