Politie verzwijgt gebruik van video-apparatuuronze redacteur

AMSTERDAM, 2 MAART. De politie maakt geregeld gebruik van foto's, video-opnamen en telefoontaps bij het opsporen van strafbare feiten, maar het gebruik van deze middelen wordt voor de rechtbank vaak verzwegen “om opsporingstechnische redenen”. En als het bewijsmateriaal op een zitting ter sprake komt, blijkt het niet zelden vernietigd.

Zo besloot de Utrechtse rechtbank vorige week geen gebruik te maken van het bewijsmateriaal dat de politie had verkregen uit observaties van een loods in Landsmeer. De rechtbank nam deze beslissing in een strafzaak tegen een omvangrijke organisatie van drugshandelaren. Bij een loods in Landsmeer had de politie in het geheim video-opnamen gemaakt. De politie vermoedde dat de loods werd gebruikt om verborgen bergplaatsen voor drugs in vrachtwagens in te bouwen dan wel verdovende middelen in of uit te laden.

Van het gebruik van de videocamera werd echter geen gewag gemaakt in de processen verbaal van de observatie. Zo schreef een verbalisant dat hij “op 21 mei 1992 omstreeks 09.32 iets ziet op korte afstand voor de roldeur” van de loods: een vrachtwagen reed achteruit de loods in. De agent was daar niet zelf bij aanwezig maar heeft een dag later de video bekeken. Tijdens een verhoor ter zitting bevestigde een politieman dat video-apparatuur was geplaatst. Daarop meende de rechtbank dat de processen verbaal over de observatie onjuist waren opgemaakt.

Volgens de verdediging was er reden aan te nemen dat er op “onrechtmatige wijze” apparatuur in de loods was geplaatst. De politie zou, naar verluidt, in de loods hebben ingebroken om afluister- en/of video-apparatuur in de loodsruimte aan te brengen. De rechtbank oordeelde dat zij het “voor een afdoende beoordeling van de juistheid” van deze bewering onontbeerlijk achtte zelf te zien wat door de video was geregistreerd. Tijdens het verhoor bleek echter dat de banden inmiddels waren gewist.

De zaak gaat door, maar zonder de feiten die bij de loods zijn geregistreerd en in de tenlastelegging zijn opgenomen. Dat betekent een gevoelige klap voor het openbaar ministerie, dat nu twee van de drie hoofdverdachten alleen voor handel in softdrugs kan vervolgen. Uit de observaties zou ook informatie over betrokkenheid met handel in harddrugs zijn verkregen. “Dat betekent nu al dat mijn cliënt vele jaren gevangenisstraf minder boven het hoofd hangt”, zegt de Amsterdamse advocaat J. Jahae.

Hij is niet de enige advocaat die meent dat de politie vaak in het geheim videocamera's gebruikt. Dat een band wordt gewist, komt minder vaak boven tafel. In de zaak-Bruinsma kwam naar voren dat een videoband was gewist. Bij de uitgang van de bar waar de drugshandelaar Klaas Bruinsma in 1991 werd doodgeschoten, hing een videocamera van de beveiligingsdienst. Iedereen die rond het tijdstip van de schietpartij de bar in of uit liep, werd daarop geregistreerd.

Volgens de verdediging had aan de hand van dat videomateriaal het verhaal van de verdachte kunnen worden getoetst met wie en hoe laat hij was vertrokken. Ter zitting bleek de band echter door de politie te zijn teruggegeven aan de beveiligingsdienst en vervolgens gewist. De politie verklaarde dat er niets op de band stond dat van belang was voor het onderzoek.

Volgens mr. Jahae komt het vaker voor dat belastend materiaal wel in het dossier komt, maar eventueel ontlastend materiaal niet. Zijn collega N. Meijering verwijst naar een Haarlemse drugszaak. Tijdens de derde zitting bleek dat er tijdens het opsporingsonderzoek gebruik was gemaakt van video- en fotocamera's. Meijering: “Mijn cliënt weet zeker dat op grond van dat materiaal de echte hoofdverdachte in deze zaak onomstotelijk kan worden geïdentificeerd.” De Haarlemse rechtbank weigerde echter het gevraagde beeldmateriaal bij het dossier te voegen.

    • Hans Moll