Poëzie

Mijn zoon van dertien moet op school een gedicht voordragen. Hij mag zelf kiezen wèlk gedicht, heeft de leraar gezegd. Ik doe hem wat suggesties aan de hand en hij kiest 'De tuinman en de dood' van P.N. van Eyck. (Zoals bekend: de tuinman van een Perzische edelman ziet 's ochtends in de tuin de Dood en vlucht halsoverkop naar het verre Isfahan, waar hij - naar later blijkt - juist die avond in het boek des Doods staat opgetekend.) Om te horen hoe het klinkt, zal mijn zoon het even hardop voorlezen.

Nu komt er halverwege dit gedicht de volgende regel voor: “Vanmiddag (lang reeds was hij heengespoed) / Heb ik in 't cederpark de Dood ontmoet.” Mijn zoon echter, die slordig leest en waarschijnlijk ook nooit van ceders gehoord heeft, leest: “Vanmiddag (lang reeds was hij heengespoed) / Heb ik in 't Center Parcs de Dood ontmoet.”

“Het cederpark!” roep ik, hoestend van de lach.

“Wat maakt dat nou uit”, zegt hij geïrriteerd, leest het gedicht ten einde en verdwijnt naar zijn computer.

De kat zit mij zwijgend aan te kijken, dus ik ga hart snijden, intussen denkend aan Van Eyck, aan poëzie en aan de dood. Ik heb, bij mijn weten, nooit in een cederpark gelopen (Van Eyck evenmin misschien) en ben ook nooit in een Center-Parcsvestiging geweest (en Van Eyck natuurlijk al helemaal niet). Maar ik heb het sterke vermoeden dat de gedachte aan de dood bij mij wurgender zou toeslaan in Center Parcs dan in een cederpark. Dat is mijn persoonlijke pretparkgevoel. Daarom lijkt 'Center Parcs' me een aanbevelenswaardige variant in 'De tuinman en de dood'.

Zou Van Eyck het daarmee eens geweest zijn? Ik denk van wel.

    • Rascha Peper