Maleisische boycot leidt tot miljardenverlies voor Britten

ROTTERDAM, 2 MAART. Groot-Brittannië likt zijn diplomatieke en economische wonden. Regering en bedrijfsleven zijn voorzichtig begonnen met het inventariseren van de schade van de boycot die Maleisië vorige week vrijdag afkondigde. De regering in Kuala Lumpur is beledigd over berichten in de Britse pers als zou de Maleisische overheid corrupt zijn en besloot bij wijze van strafmaatregel dat Britse bedrijven niet meer hoeven te rekenen op overheidsorders. De klap is hard aangekomen: het Britse bedrijfsleven vreest een verlies van enige miljarden guldens en duizenden banen.

Het Maleisische besluit betreft niet alleen overheidsorders; ook onderhandelingen over joint-ventures die in het kader van het privatiseringsprogramma worden gevoerd tussen Maleisische en Britse bedrijven dienen te worden afgebroken. Bestaande contracten zullen worden nagekomen, zo is verzekerd. Ten aanzien van memoranda of intentieverklaringen aan Britse bedrijven heeft Maleisië echter geen verplichtingen meer, aldus minister Anwar Ibrahim van financiën.

De Maleisische boycot treft vooral Britse aannemers in de defensie- en energiesector. Zo zijn de Britten voortaan uitgesloten van deelname aan de bouw van 27 patrouilleboten voor de Maleisische marine, een project ter waarde van ongeveer drie miljard gulden. Het bouwbedrijf John Laing kan fluiten naar een miljoenencontract voor de bouw van legerbarakken, dat na vier jaar onderhandelen binnen handbereik lag. Eén van de grootste orders (bijna 10 miljard gulden) die door de boycot op losse schroeven is komen te staan is de deelname van verscheidene Britse aannemers (Trafalgar House, Balfour Beatty) in de aanleg van een nieuw vliegveld bij de Maleisische hoofdstad. Ook Britse bemoeienis met de bouw van ziekenhuizen, krachtcentrales en een metronet is onzeker geworden.

Maar niet alleen in Maleisië zelf lijden de Britten een gevoelig verlies. Ze verliezen door de boycot ook hun uitkijkpost naar de rest van de Aziatische markt. Grote bedrijven als British Gas, John Brown en Rolls Royce hadden gehoopt hun invloed op de Maleisische markt te kunnen gebruiken voor het verwerven van orders elders in Azië.

De vraag is of Maleisië met zijn rancuneuze optreden op de lange termijn niet vooral zichzelf in de vingers snijdt. Voor zijn ontwikkeling van grondstoffenexporteur tot industrieland is het land in hoge mate afhankelijk van buitenlandse investeringen, vooral technologie-overdracht. Door de omvangrijke Britse bijdrage aan projecten op gebieden als defensie, energie en civiele werken, heeft Maleisië zich bij zijn ontwikkeling tot industriële natie sterk afhankelijk gemaakt van Groot-Brittannië. Hoewel bestaande contracten ongemoeid blijven, geldt dat niet voor hieruit voortvloeiende contracten, zoals voor het onderhoud van elektriciteitscentrales, levering van nieuwe onderdelen of training van personeel.

Ook de Maleisische autoproducent Proton maakt onzekere dagen door. Hoewel de Britse regering nog geen tegenmaatregelen heeft aangekondigd, komt Proton als eerste in aanmerking voor de rol van slachtoffer: Groot-Brittannië was vorig jaar met 16.000 verkochte auto's de belangrijkste afzetmarkt voor Proton en doet tevens dienst als springplank naar het Europese continent. In totaal exporteert Maleisië jaarlijks voor ongeveer drie miljard gulden aan goederen naar Groot-Brittannië.

Het weren van een deel van de Britse investeerders (de handel tussen particuliere bedrijven wordt vooralsnog ongemoeid gelaten) is des te gevaarlijker nu de Westerse investeringen in het land vorig jaar met maar liefst 66 procent zijn gedaald ten opzichte van 1992, tot ongeveer vijf miljard gulden. Kennelijk krijgt Maleisië serieuze concurrentie van opkomende economieën inn de regio, als Vietnam en China. Deze concurrentie, gecombineerd met het weren van Britse investeerders, zou op de langere termijn dan ook wel eens gevaar kunnen opleveren voor de economische groei van circa 8 procent die Maleisië de laatste jaren heeft gekend.

Hoe lang Maleisië zijn starre houding ten opzichte van het Britse bedrijfsleven zal volhouden, is moeilijk te voorspellen. In het verleden heeft de regering in Kuala Lumpur bewezen over een lange adem te beschikken. Toen de Australische televisie in 1990 een serie uitzond over misstanden in een fictief Aziatisch land, meende de Maleisische regering zich hierin te herkennen en dreigde met een handelsboycot. Alleen persoonlijk door premier Hawke overgebrachte excuses konden Maleisië milder stemmen.

De Britten weten, gezien hun vroegere koloniale overheersing over het land, alles van de Maleisische gevoeligheden. Toen de Britse regering in 1981 besloot om buitenlandse studenten (onder wie veel Maleisiërs) collegegeld te laten betalen, werd de regering in Kuala Lumpur daarover zo boos dat zij besloot tot een boycot tegen de Britten. De Buy British Last-campagne zou pas in 1986, na langdurige bemiddeling van premier Thatcher, worden beëindigd.

    • Friederike de Raat