Crisisgevoelige economie

STOCKHOLM, 2 MAART. Als de Zweedse bevolking in de loop van dit jaar instemt met toedreding tot de Europese Unie wordt het Europese economische machtsblok aangevuld met een economie die in de afgelopen jaren een uitzonderlijke bevattelijkheid voor crises heeft getoond. Hoewel er tekenen zijn dat het ergste voorbij is, zal Zweden nog jaren de sporen dragen van de venijnige klappen die de economie in de afgelopen drie jaar moest incasseren.

In 1990 was het opeens afgelopen: de Zweedse economie wilde niet meer. De industriële produktie schoot omlaag, groei maakte plaats voor krimp en met een schok kwamen de Zweden tot de ontdekking dat werkloosheid ook aan hun deur stil hield. Vol ongeloof zagen de Zweden, gedurende decennia niets anders gewend dan volledige werkgelegenheid, dat steeds meer mensen het zonder baan moesten stellen.

De malaise hield drie lange jaren stand. De industriële produktie daalde met tien procent, de economie kromp met gemiddeld 2 procent per jaar, de werkloosheid steeg van 2 procent naar 13 procent (inclusief 5 procent 'banenpoolers'). Frictie-werkloosheid maakte plaats voor een structureel gebrek aan banen. In drie jaar tijds gingen ongeveer 45.000 ondernemingen onderuit.

De financiële sector bleef niet ver achter. De grote Zweedse banken raakten in moeilijkheden omdat de verliezen op uitstaande kredieten hand over hand toenamen. Begin vorig jaar moesten drie banken om steun aankloppen bij de regering. Om overeind te blijven verhoogden ze hun marges: het renteverschil tussen geleend geld en uitgeleend geld liep op tot 10 procent. De Zweedse kroon kon zich na zoveel onheil niet langer op het beoogde niveau handhaven. Op 19 november 1992 gooide de centrale bank de handdoek in de ring: na een verhoging van de daggeldrente tot 500 procent liet ze de koppeling tussen de kroon en de ecu los. Sindsdien is de Zweedse munt met 25 procent gedevalueerd.

Sinds midden vorig jaar laten de statistieken weer enige lichtpuntjes zien. Behoedzaam praten ministers van de conservatieve regering-Bildt over het einde van de recessie. De industriële produktie groeide over geheel 1993 weer voorzichtig. Dit jaar verwacht de regering dat het bruto nationaal produkt (bnp) voor het eerst in drie jaar weer zal groeien, met 2 procent. De banken hebben hun aanvragen voor staatssteun inmiddels ingetrokken.

Ook de sociaal-democraten, de grootste partij in Zweden en sinds twee jaar in de oppositie, erkennen dat er reden is voor enig optimisme. Maar, zo stelt de partij in een toelichting op de vorige maand verschenen begrotingsvoorstellen, verreweg het grootste deel van de economie profiteert niet mee van de opleving. De economische groei is volgens de oppositie te danken aan de export-sector die profiteert van de devaluatie, waardoor Zweedse produkten in het buitenland goedkoper werden. De binnenlandse sector van de Zweedse economie, de bedrijven die zorgen voor het leeuwedeel van de werkgelegenheid, heeft nog geen tekenen van een nieuwe jeugd laten zien.

De orkaan die over het land raasde heeft diepe sporen achtergelaten. Zelfs als de conjunctuur blijvend aantrekt, zal Zweden de afgelopen drie jaar niet licht vergeten. Afgezien van het nu permanente probleem van de werkloosheid moet Zweden nog jarenlang betalen voor de schulden die de overheid in de drie donkere jaren heeft gemaakt. Het begrotingstekort zal in het jaar 1993-1994 oplopen tot ongeveer 15 procent van het bnp. De overheidsschuld, in 1990 nog 600 miljard kroon, zal stijgen tot 1.000 miljard, 70 procent van het nationaal inkomen.

De regering-Bildt heeft met het oog op die schuldenberg haar zinnen gezet op het terugdringen van de overheidsuitgaven, als het even kan gecombineerd met belastingverlaging. De roemruchte Zweedse welvaartsstaat zal in die optiek snel en ver gaand moeten afslanken. Talloze uitkeringen zijn in de afgelopen jaren overigens al verlaagd.

De sociaal-democraten houden vast aan de noodzaak de op het binnenland gerichte bedrijvigheid te stimuleren door de vraag naar goederen en diensten een impuls te geven. Maar ook zij erkennen dat de overheidsfinanciën gesaneerd moeten worden en dat de publieke sector een veel te grote greep heeft op de economie. (De niet-publieke sector maakt in Zweden slechts 30 procent uit van het bnp.) Ook de sociaal-democraten, verantwoordelijk voor de opbouw van de Zweedse verzorgingsstaat, zien in dat de sociale voorzieningen op hun huidige niveau niet betaalbaar zijn en dat soberheid noodzakelijk is. Maar waar de conservatieven de staat zover mogelijk willen terugdringen, willen de sociaal-democraten die, ondanks de problemen, juist zoveel mogelijk proberen te bewaren.