Buiten

Als kind wist ik niets van de natuur. Ik was graag buiten en buiten bevonden zich landschappen en landschappen vormden een vanzelfsprekende achtergrond voor fantasie en avontuur. Van de vogels die ik toen heb gezien heb ik alleen de huismus onthouden en nou ja, het kruipen van kikkers, het fladderen van vlinders en dat je een fluitje kon maken van vlier, maar niets waar ik verstand van had.

Er was ook niemand in de buurt die me had kunnen inwijden. Voor ons soort mensen was het verschil tussen eik en beuk een beetje bespottelijk. Bij ons ging het over armoei en werken en als het gezellig werd ging het over de oorlog. Hazen werden gestrikt, bunzings doodgeslagen en voorntjes gebakken, met veel geduld op een petroleumstel.

Op het Christelijk Lyceum hadden we voor natuurlijke historie iemand met een spraakgebrek. Hij kon absoluut geen orde handhaven en was elk jaar met Kerstmis al overspannen. Wat ik me van deze man herinner heeft veel met schaamte te maken, weinig met biologie.

Toen ik twintig was was de natuur een plek waar je kon vrijen. Ik dacht dat nachtegalen uitsluitend in gedichten werden gehoord, dat bosuilen uitsluitend in films werden gezien, als het spannend begon te worden. Een gerichte belangstelling voor natuur - het leek me nogal overdreven, het leek me aanstellerij, ik dacht ook dat het allemaal niet helemaal waar was.