Zetelinflatie

De afnemende belangstelling voor de Tweede-Kamerverkiezingen lijkt de politici zorgen te baren. De bevolking wordt in allerlei toonaarden gemaand toch vooral te gaan stemmen om de democratische verworvenheden te behouden.

Maar wiens democratische verworvenheden moeten er dan behouden worden en hoe kan de kiezer daar in de praktijk enige invloed op uitoefenen? De kiezer kan zijn stem uitbrengen maar wordt verder niet gehoord door de politiek. Als hij het oneens is met de politiek resten hem slechts twee mogelijkheden: stemmen op een protestpartij of niet stemmen. Het nadeel van protestpartijen is dat ze weinig levensvatbaar zijn. Ze worden in de Kamer belachelijk gemaakt of genegeerd en het politieke establishment vraagt zich niet af waaraan de opkomst van de nieuweling te danken is. Het nadeel van niet-stemmen is dat het totaal geen effect heeft en onbeloond blijft.

Intussen neemt het getal van de niet-stemmers toe, hetgeen een inflatoir effect heeft op de 150 zetels in de Kamer. We gaan dus toe naar een situatie van overgewaardeerde parlementszetels. Mijn voorstel is de niet-stemmers te belonen door invoering van een inflatiecorrectie op de 150 Kamerzetels. Als uitgangspunt wordt de maximale kiesdeler (alle stemgerechtigden/150 zetels) ingevoerd als bepalende factor voor de verkrijging van één zetel. Men zal nu opwerpen dat een aantal zetels onbezet blijft als niet iedereen gaat stemmen. Dat is ook de bedoeling. Wij passen immers een inflatiecorrectie toe waarna de verdiende zetels de reële democratische waarde vertegenwoordigen.

    • H. Oldeboom