Vreemdeling in eigen land

Pijnlijker kon de machteloosheid niet in beeld worden gebracht. In het VPRO-programma Lopende Zaken zagen we het PvdA-duo in Rotterdam, Simons en Kombrink, op werkbezoek bij de gemeentereiniging. Op de vraag aan een vuilnisman of het door de stadsvernieuwing kwam dat deze straat er zo schoon uitzag, volgde een nuchter antwoord: nee, dat kwam omdat de wind er pal op stond. Even later zagen we hoe de oud-bewindsman, gestoken in een oranje werkmanspak, vat probeerde te krijgen op het weerbarstige straatvuil. Hoe hij ook zijn best deed, een gemene dwarrelwind joeg het afval in alle richtingen. Het was een moedeloos stemmend tafereel: zoveel goede wil en dan zo weinig resultaat.

Als de voortekenen niet bedriegen dan zullen de verkiezingen van morgen een hoge mate van electorale onvrede openbaren. Dat wordt dan tevens de dag waarop we afscheid kunnen nemen van de zelfgenoegzame ontkenning van een dergelijke onvrede door politici als Jan de Koning of Frits Bolkestein. Er zullen drie vormen van ongenoegen zichtbaar zijn: de links-liberale kritiek van D66, die zich richt tegen het bestuurlijk nog verzuilde Nederland, het populisme van de Centrumdemocraten tot aan de SP, dat zich afzet tegen alle gevestigde partijen, en ten slotte, de verwachte meerderheid van niet-stemmers, van wie de motieven veel moeilijker te duiden zijn.

Jan de Koning deed het verschijnsel van een dalende opkomst in zijn rapport over de staat van onze democratie nog af als tamelijk onbetekenend. Veel mensen zijn helemaal niet zo teleurgesteld, maar vinden veeleer dat er niet zoveel verschil is tussen de partijen, zeker bij de gemeenteraadsverkiezingen. Die gelatenheid is inderdaad bij nogal wat mensen te bespeuren.

Maar mocht het zo zijn dat de opkomst tot onder de vijftig procent daalt dan is op zijn minst een symbolische grens gepasseerd. Op dat moment kan toch niet alleen meer gesproken worden van een tevreden passiviteit van de kiezer; dan zou het vermoeden opgang kunnen doen dat bij gebrek aan levensvatbare extremismen in de Nederlandse politiek nogal wat kiezers hun toevlucht hebben genomen tot de provocatie van het niet-stemmen.

Naast het verwachte hoge aantal niet-stemmers, is de voorspelde score van de links- en rechts-populistische partijen in Nederland (SP, CD en CP'86) een aanwijzing voor onvrede met het politieke bestel. Nu kan Bolkestein tijdens een recent parlementair debat wel opmerken dat de centrum-democraten het moeten hebben “van zeer specifieke en concrete misnoegens die niets met een legitimiteitscrisis van doen hebben”, maar zo gemakkelijk kan men de motieven van het populisme niet afdoen.

Vanaf het begin spraken deze partijen namens degenen die zich 'als een vreemdeling in eigen land' voelen. Althans zo karakteriseren veel CD-stemmers zichzelf. In dit zelfbeeld gaat onbehagen over immigratie hand in hand met een gevoel van onveiligheid en onzekerheid. Dit deel van de kiezers voelt zich niet of nauwelijks vertegenwoordigd door de gevestigde politieke partijen. “De CD-kiezer beschouwt zichzelf als proteststemmer. Vijfenzestig procent wil laten zien dat ze er in Den Haag niets van maken. Dit motief wordt door CD'ers veel vaker genoemd dan door het totale electoraat” (de Volkskrant, 29 januari). Kortom, de klassieke thema's van elke populistische beweging, die het 'eigen volk' verdedigt tegenover 'de elite'.

Uit opinieonderzoek blijkt dat deze wrevel veel breder is dan het verwachte electoraat van CD tot en met SP. Een verklaring voor de relatieve zwakte van georganiseerd extremisme kan zijn dat in Nederland geen gekrenkte nationale identiteit voorhanden is. Anders dan in Vlaanderen kent Nederland geen geschiedenis van verdrukking als taalgemeenschap of een gevecht voor nationale emancipatie of vrijmaking. De voedingsbodem voor een beroep op het 'eigen volk' is beperkter dan in Vlaanderen.

Een andere uiting van electorale onvrede is links-liberaal van aard en wordt gevormd door de voorspelde winnaar van de aanstaande verkiezingen: D66. Dat is immers de partij die het vraagstuk van de kloof tussen burgers en de politiek tot haar bestaansreden heeft gemaakt. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat D66 inmiddels zelf deel van het establishment is geworden en allang is vergeten dat men ooit het bestaande bestel wilde doen ontploffen.

Men kan D66 nadragen dat ze op kousevoeten naar het pluche sluipen, want is het niet zo dat de manier waarop de macht wordt veroverd veel zegt over de wijze waarop vervolgens de macht wordt uitgeoefend? Voorspelt het wat bleke gezicht van de links-liberalen niet een vlakke regeerstijl? Maar tegelijk is de dan gematigde oppositie die D66 weet te verenigen met het karakter van een 'anti-systeem'-partij, een welkome uitwijk voor vele kiezers die zich niet thuisvoelen bij de klassieke partijen.

Op zichzelf vormt de verlate opmars van D66 een opmerkelijk contrast met het patroon in veel Europese landen. De onrust over immigratie en criminaliteit uit zich in een weerzin tegen de liberale en kosmopolitische elite. Het zijn degenen die in de jaren zestig op de vorige golf van protest aan de macht zijn gekomen, die nu zelf het voorwerp van kritiek zijn. Dat de sociaal-democraten het zo zwaar te verduren hebben ligt in de lijn der verwachtingen. Door de langdurige oppositie van de links-liberalen kunnen deze in Nederland nu fungeren als een aantrekkingspunt voor electorale onvrede, wat een gelukkige samenloop van omstandigheden mag worden genoemd.

Morgen zullen vele van de verslagen politici woorden van afschuw spreken over het gebleken onbehagen van de kiezers. Maar wat in de herinnering blijft is de ruime parlementaire meerderheid, die alle pogingen tot staatsrechtelijke hervorming keer op keer heeft geblokkeerd. En wat zal blijven hangen zijn de vele smalende commentaren aan het adres van degenen die erop hebben gewezen dat Nederland geen eiland van harmonie en tolerantie in een roerig Europa is.

Nogal wat Nederlanders blijken zich ontheemd en niet vertegenwoordigd te voelen. Wat zal het antwoord zijn op al deze 'vreemdelingen in eigen land'? Men begrijpt het verlangen om de afvalligen te terwille te zijn. Maar of de deemoedige optochten door de oude buurten van het Rotterdamse duo, waar het 'mea culpa, wij zijn te soft geweest' weerklinkt, hun uitwerking zullen hebben, mag betwijfeld worden. Kombrink zegt in een gesprek met Vrij Nederland dat hij het “een vooruitgang vindt als Turken ons toevertrouwen dat ze de pest hebben aan landgenoten die zich niet aanpassen”. Het heeft iets merkwaardigs om allochtone burenruzies als een voorbeeld van geslaagde integratie te presenteren.

Gevreesd moet worden dat deze houding zichzelf verslaat. Hoe heftiger wordt gehamerd op de afschaffing van voorkeursregelingen van allochtonen, des te dieper vreet de overtuiging dat de meeste buitenlanders hier een geprivilegieerd bestaan leiden. Daar kan straks geen belofte van gelijke behandeling meer tegenop. Simons zegt: “We moeten vanzelfsprekend uitkijken dat we niet in een verkeerd soort populisme vervallen.” De vraag is of er een 'goed soort populisme' bestaat. Simons en Kombrink hebben de strijd tegen het opwaaiende straatvuil voorlopig verloren.