Stabiele landen in Oost-Europa verdienen meeste westerse steun

De buitenlandse politiek van Rusland wordt agressiever en Rusland dreigt daarmee de welwillendheid van het Westen te verspelen. Martin van den Heuvel vindt dat Europa de problemen in het GOS het beste aan Rusland kan overlaten. Het Europese belang ligt in stabiele Oosteuropese landen met westerse normen en waarden.

Ruim vier jaar na de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van het Sovjetimperium doet zich een verrassend verschijnsel voor. Het onttakelde Rusland weet op het gebied van de buitenlandse politiek beter voor zijn belangen op te komen en voert een consistenter buitenlands beleid dan het Westen, de winnaar van de Koude Oorlog. Tegelijkertijd herbergt de onduidelijke situatie over hoever de Russische invloedssfeer reikt, het gevaar in zich van botsingen tussen Oost en West in de toekomst.

De binnenlandse problemen van Rusland zijn nauwelijks te overzien, maar op het gebied van de buitenlandse politiek laat het steeds meer van zich horen. Het opmerkelijkst zijn uiteraard de ontwikkelingen binnen het GOS. Het voornaamste dat van deze 'Gemeenschap van Onafhankelijke Staten' over lijkt te zijn, is de Russische wens dit verbond van voormalige Sovjetrepublieken politiek, militair en economisch te domineren. Een verklaring hiervoor vormt de aanwezigheid van vijfentwintig miljoen Russen in ex-Sovjetrepublieken buiten het eigenlijke Rusland. Dat is een gevolg van de eeuwenlange Russische kolonisatiepolitiek, maar ook van de 'liberale' interne grensafbakening onder het communisme. De binnenlandse grenzen golden toen als van weinig betekenis. Zo kon Chroesjtsjov in 1954 gemakkelijk de Krim aan de Oekraïne schenken. Zo bleef Noord-Kazachstan ook gewoon deel van de republiek Kazachstan, hoewel de Russen daar veruit in de meerderheid waren. Bij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie moesten de republieksgrenzen uiteraard worden aangehouden. Maar er ontstond in het Westen al gauw begrip voor het onttakelde Rusland met zoveel volksgenoten buiten de eigen grenzen.

Het is moeilijk om een duidelijke lijn te trekken tussen de wens van Moskou om Russen buiten het eigen land te beschermen en om het als vanouds in de omringende gebieden voor het zeggen te hebben. Westerse politici hebben zich vaak verkeken op Jeltsins 'liberale' buitenlandse politiek van de jaren 1990-1991. Zo sprak de Russische president zich uit voor de onafhankelijkheid van de Baltische republieken. Vergeten werd echter dat Jeltsin toen voornamelijk bezig was Gorbatsjov het leven zuur te maken en vertrouwen te wekken in het Westen. Maar de gedachte dat de Baltische gebieden bij Rusland hoorden was altijd sterk, zowel bij Russische nationalisten als bij de 'democraten'. Zo vond Anatoli Sobtsjak, de democratische burgemeester van Sint-Petersburg, het vanzelfsprekend dat er Russische militaire bases in het Balticum zouden blijven. De Russische minister van buitenlandse zaken, Andrej Kozyrev, verhardt de laatste tijd, uit eenzelfde hegemonistisch denken, zijn houding tegenover het Balticum. Begin februari sprak hij zelfs al van 'etnische zuiveringen' van Russen in Letland. Kozyrev heeft al meer van dit soort dwaze beschuldigingen aan het adres van de Baltische regeringen geuit. Vaak heeft hij die later weer herroepen.

Jonathan Eyal van het Royal United Services Institute in Londen, heeft op 24 februari in deze krant de westerse zorg over deze ontwikkelingen uiteengezet. Daarbij zaagt hij echter wel van erg dik hout planken. Naar aanleiding van de arrestatie van de voor Rusland spionerende CIA-chef Aldrich Ames in Washington, beweert hij dat Moskou een deel van de westerse hulp aan spionage besteedt! Geeft het Westen echt zoveel hulp om dit nu als argument te gebruiken? Ook schrijft Eyal dat de meeste Sovjetrepublieken door Moskou zijn gedwongen in het GOS terug te keren. Ik zou echter ten hoogste één republiek weten die enigszins gedwongen in het GOS is opgenomen. (Dit nog los van het feit dat het GOS niet meer samenhang vertoont dan een gemiddelde biljartclub in Purmerend.) Het gaat dan om Georgië. Maar dat gebeurde nadat de Georgische president Sjevardnadze de Russische regering om militaire hulp gesmeekt had en de opname in het GOS lag daarom voor de hand.

De toestand in de voormalige Sovjet-Unie is ook aanzienlijk gecompliceerder dan Eyal beschrijft. In een aantal GOS-republieken zijn altijd Russische troepen gestationeerd geweest en van de andere kant heeft de Russische Doema zich zojuist uitgesproken tegen extra troepen aan de grens van Tadzjikistan. Ook dienen we te beseffen dat de chaos in Transkaukasië en delen van 'Russisch' Centraal-Azië groot is en de wereldgemeenschap daar geen antwoord op heeft.

Eyal spreekt ferme taal: “Het Westen zou er goed aan doen om niet alleen grenzen te stellen aan de Russische activiteiten in het vroegere wereldrijk, maar tegelijk een aantal van de jongste Russische aanspraken op veiligheidsgebied ter discussie te stellen.” Nu kan discussiëren nooit kwaad, maar het zal niet eenvoudig zijn een sluitend westers beleid te vinden als antwoord op deze problemen.

Eyal heeft gelijk dat het Westen Moskou geen carte blanche mag geven voor koloniale operaties in de periferie van Rusland. Maar de zwakte van het westerse beleid zal blijven dat we opgelucht zijn als Moskou enigszins orde op zaken stelt in verre streken en pas ongerust worden als de Russische bezem dichterbij komt. Daarom moet het Westen zo snel mogelijk een eigen strategie ontwikkelen. Vechten voor de Oekraïne, dat er zowel in democratisch als economisch opzicht weinig van bakt? Of ons inzetten voor landen dichter bij huis? Hoe duidelijker Rusland opkomt voor zijn eigen belangen, des te meer heeft het Westen het recht hetzelfde te doen. Voor het Westen moet stabiliteit in een zo groot mogelijk deel van Europa een hoge prioriteit hebben. Daarbij dient vooral aan Duitsland te worden gedacht. Dit land kent nu flinke binnenlandse zorgen. De kosten (morele en financiële) van de vereniging zijn aanzienlijk hoger dan verwacht en het land heeft te maken met grote aantallen vluchtelingen en asielzoekers. Stabiliteit aan Duitslands oostgrenzen is daarom voor Duitsland én heel het Westen van groot belang. Die stabiliteit kán vergroot worden door de uitbreiding van de NAVO en Europese Unie, maar dat is geen automatisme.

Het Westen moet, mede voor zijn eigen geloofwaardigheid, bij de opname van nieuwe bondgenoten meer letten op de aanwezigheid van westerse normen en waarden, dan op Russische bezwaren. Het machtsvacuüm in Midden-Europa kan immers alleen bevredigend worden opgevuld als de nieuwe partners redelijk stabiele democratieën zijn.

Landen als Slowakije en Roemenië dienen daarom voorlopig niet in aanmerking te komen. Het is tegelijkertijd een westers belang om Polen, Tsjechië en Hongarije, die zich behoorlijk ontwikkelen, zoveel mogelijk te steunen. Dezer dagen wordt vaak het argument gebruikt dat deze drie Visegrádstaten al zoveel westerse hulp ontvangen en daarom wel met minder toekunnen. Landen als Slowakije, Roemenië en Albanië zouden daarentegen juist meer steun verdienen. Als men deze gedachte verdedigt, moet men wel beseffen waarom. Hulp aan Roemenië, Albanië en dergelijke is ontwikkelingshulp en voornamelijk humanitair van aard. Men hoopt daarbij natuurlijk dat die landen zich democratisch zullen ontwikkelen. Maar als het tegenvalt, kan dat nog heel lang duren. Hulp aan Polen, Tsjechië en Hongarije is van een andere orde. Hier moeten we democratieën in opkomst steunen voor hun én onze veiligheid. Tegelijkertijd moeten wij Moskou duidelijk maken dat dat zowel ons recht is als dat van de betreffende landen. Hopelijk zal de arrestatie van de spionerende CIA-chef Aldrich Ames in Washington de Amerikaanse steun voor zo'n politiek groter maken.