Ruggespraak

Schrijvend over politiek beweert de schrijver Dirk Ayelt Kooiman in de krant van 23 februari dat een Kamerlid wordt geacht “zijn stem in vrijheid uit te brengen, 'zonder last of ruggespraak”'. Vervolgens veegt hij 'de politiek', zoals dat tegenwoordig heet, de mantel uit, want: “Het Kamerlidmaatschap lijkt uit bijna niets anders te bestaan” (dan uit ruggespraak).

De bewering van Kooiman berust op een taai misverstand. Sinds 1983 staat in de toen herziene Grondwet dat de leden van het parlement stemmen 'zonder last'. Ruggespraak is dus niet verboden. Sterker nog: er zou pas echt sprake zijn van een kloof tussen kiezer en gekozene als het de laatste niet zou zijn toegestaan zijn oor te luisteren te leggen bij, en overleg te plegen met belangengroepen, lobbyisten, partijorganen en achterban. Overigens was het verbod van ruggespraak ook al voor 1983 een dode letter, daterend uit de tijd waarin we nog geen volksvertegenwoordigers kenden, maar afgevaardigden van - bijvoorbeeld - steden, die als het spannend werd moesten afreizen om ruggespraak te houden met hun lastgever en een (nieuwe) last in ontvangst te nemen.

    • H.G. Cloudt