Reddende velletjes

De Gids januari 1994, (jaargang 157, nr. 1), 79 blz., ƒ 14,90; uitgever: Meulenhoff; jaarabonnement ƒ 105,- (twaalf nummers).

Afgezien van de Dag des Oordeels is er voor de westerse mens geen ernstiger schrikbeeld dan de afwezigheid van wc-papier. Zelden stort zijn wereld zo ineen als wanneer hij met de broek op zijn enkels tevergeefs tast naar de reddende velletjes. Daarom, schrijft antropologe en filosofe Barbara Noske in De Gids, is hij bereid wagonladingen van het spul mee te slepen, desnoods naar de bergen van Nepal. Die raken tegenwoordig dan ook overwoekerd door kilometers vuil wc-papier dat - afkomstig van westerse billen - in bevroren toestand over de hellingen waait. In haar 'Kleine filosofie van het plassen' schetst Noske hoe de menselijkste van alle menselijke bezigheden overal ter wereld anders wordt uitgevoerd. Het blijkt, zoals altijd, een kwestie van de strijd tussen natuur en cultuur. Dit onderwerp smaakt naar meer, zou men bijna zeggen - meer in ieder geval dan de tantalizing anderhalve pagina die er aan zijn gewijd in dit eerste nummer van jaargang 1994 van De Gids.

Noske's observaties hebben een plek gekregen in de rubriek 'Kroniek & kritiek' die ditmaal de opening van het blad vormt. Hier is ook een scherpe uitval te lezen van de fysicus Frans W. Saris over het promotie-beleid der universiteiten. Die incasseren wel een premie van minimaal ƒ 50.000 per uitgereikte bul, maar zijn te beroerd de wachtgelden te betalen voor de jonge doctors die merendeels in de WW terechtkomen. Daarnaast maakt Huub Beurskens zich boos over de 'valsklinkende' poëzie van Anna Enquist. Ofschoon hij wel erg luidruchtig inhakt op de dichteres die voor de bundel Jachtscènes de Van der Hoogtprijs 1993 kreeg, is zijn kritiek op haar 'beoogd poëtische' taal behoorlijk raak. Minder trefzeker is Ton Lemaire die in kort bestek de ondergang van het vooruitgangsgeloof wil duiden. Met veel bombast benoemt hij de autobaan tot essentie van een wereld die de weg kwijt is. Wij leven, meent hij, in een cultuur van 'de beweging zonder doel of zin'. Of is er, peinst de antropoloog die zich in de Franse binnenlanden terugtrok, nog ergens een oase van onbeweeglijkheid om te ontsnappen aan de terreur van de beweging?

Na de gekruide openingsstukken lijkt van de weeromstuit de rest van dit nummer wat fletser. Het meest opwekkend is een mooi exposé van taalwetenschapper Jacques Arends over creooltalen in Suriname. Die ontstonden pas enkele eeuwen geleden in het kielzog van de slavenhandel. Sommige varianten, zoals het Negerhollands en het Berbice Nederlands zijn alweer uitgestorven of staan op het punt te verdwijnen.

Voorts biedt De Gids een voorpublikatie uit de roman Naar Merelbeke door de Vlaamse auteur Stefan Hertmans. Het is proza dat enigszins struikelt over de eigen adjectieven en beeldspraken; zo fladdert een zakdoek 'als een inktvis die voor vleermuis leert', en voelt een kastanje bij Hertmans al gauw 'als een steen die in de dovende asse heeft gelegen'.

Nogal zonderling is verder het stuk van de kunsthistorica Nanda van der Berg over de positie van de allochtone beeldende kunstenaars in Nederland. Het heeft alles weg van een politiek correct betoog waarin goede bedoelingen onder de voet worden gelopen door regelzucht, quoteringsbeleid en kastijding van de 'heersende musea', die allochtone kunstenaars buitensluiten met hun 'ene westerse, toevallige, blanke norm als maatstaf voor kwaliteit'. In ieder geval illustreert deze aanklacht pijnlijk duidelijk hoe dun de lijn is tussen oprecht emancipatiestreven en cultureel stalinisme.

    • Bastiaan Bommeljé