Quadrofone ellendelingen met seksuele obsessies

Voorstelling: Decadence van Steven Berkoff door Het Zuidelijk Toneel. Regie: Dora van der Groen. Vertaling: Brick de Bois. Decor/licht: Jan Versweyveld. Kostuums: Tessa Lute. Spel: Elsie de Brauw, Peter Van den Eede. Gezien: 25/2, Stadsschouwburg, Eindhoven. Nog te zien: 2/3 t/m 30/4 in het gehele land.

Nog geen jaar geleden ging Decadence (1981) van de Engelse toneelschrijver Steven Berkoff in première bij het Nationale Toneel, in de regie van Johan Doesburg. De voorstelling werd zo'n succes, dat zij begin van dit toneelseizoen weer even op het repertoire werd genomen. Daardoor wekt de regisseur die nu met een nieuwe enscenering komt, automatisch de indruk niet alleen gefascineerd te zijn door het stuk, maar ook een correctie te willen aanbrengen. De vorige versie was niet goed, dit stuk verdient beter, zo moet het en niet zus. Dora van der Groen, die Decadence nu bij het Zuidelijk Toneel heeft geregisseerd, heeft zich het niet gemakkelijk gemaakt. Ze is een dubbele uitdaging aangegaan.

Want het stuk is op zichzelf al lastig genoeg. Niet eenmaal staat het echtpaar waarom het draait, Steve en zijn adellijke Sybil, zelf op toneel. We zien óf de echtgenoot met zijn minnares Helen óf de echtgenote met haar minnaar Les. Ter verhoging van de verwarring worden de vier rollen door slechts twee acteurs gespeeld, bij het Zuidelijk Toneel door Elsie de Brauw en Peter Van den Eede. Per scène - veertien in totaal - veranderen ze volgens de aanwijzingen van Berkoff 'van houding en positie' of 'versmelten' ze in andere personages. Vanaf de tiende scène raakt die ritmiek verstoord en slaat, met de inhoud, de structuur op hol. Wie dan wat uitkraamt, weten we alleen nog dank zij het tekstboekje.

En Sybil / Helen / Steve / Les kramen wat uit, in hoog tempo. Het zijn quadrofone ellendelingen, uit de hogere klasse begrijpen we (champagne, Charles en Di aan de belendende tafel in het restaurant, operabezoek) - en niets ontsnapt aan hun onverschilligheid en minachting, ook zijzelf niet. In een toelichting schrijft Berkoff dat zijn stuk “een studie van de heersende klasse” is. De heersende klasse in Engeland wel te verstaan, want bij uitstek die heeft, zoals Berkoff verder beweert, door onder meer de kostschooltraditie “de natuurlijke overgang naar volwassenheid” nooit beleefd. Waardoor ze “zeer vaak anaal gefixeerd” blijken. De gevolgen (“slechte minnaars”, “uitzonderlijk trouw aan het vorstenhuis”) noemt Berkoff tot besluit “het summum van Englishness”.

Hij stelt het met nauw verholen haat, maar die haat is een boemerang. Want gebukt onder 'Englishness', vrees ik, gaan ook zijn stuk en hijzelf. Ook Berkoff is gefixeerd, anaal of niet. Voor hem is decadentie: seks - net als voor alle andere Engelsen die hun stemgedrag laten afhangen van het slaapkamergedrag van hun volksvertegenwoordigers. Daarom maken zijn dubbelpersonages wel uitstapjes naar kaviaar en opera - maar dat zijn inderdaad uitstapjes, bijprodukten van een scatalogische en seksuele obsessie. Hoofdthema en Leitmotif van Decadence zijn poep, pis, kut en pik, in alle mogelijke variaties. Berkoffs stuk is in feite opgetrokken uit geschokt burgermansfatsoen: kijk de hoge dames en heren eens utterly verdorven en liederlijk zijn. Met seks als hét bewijsstuk à charge.

Mij bevalt die Angelsaksische verontwaardiging in het geheel niet, maar afgezien daarvan: ik realiseerde me een en ander pas bij het zien van Van der Groens enscenering. En paradoxaal genoeg is dat geen kwaliteit. De versie van Johan Doesburg bij Het Nationale Toneel was gebaseerd op de hertaling van Marcel Otten: de Britse high society was gewoon Hollandse nouveau riche geworden, omhooggevallen in goedkope textiel of iets dergelijks. Geen kak maar poen. En die voortreffelijke, vooral Haagse typering in situatie en woordkeus werd geëvenaard door smakelijk aangezet spel van Gijs Scholten van Aschat en, weliswaar in zijn kielzog, Jacqueline Blom. De vaart van de voorstelling bedwelmde.

Van der Groens enscenering ontbeert die kwaliteit en verbluft niet. We kijken naar uitstekend spelende acteurs, maar De Brauw weigert ondanks alles afstand te doen van haar decorum en de Vlaming Van den Eede klinkt in Hollandse oren te charmant om een patser te zijn. De mise-en-scène helpt ze nauwelijks; slechts subtiel verspringende lichtstanden en acteurs die van plaats wisselen op de sofa markeren de overgangen van de personages. Er zijn geen verschillen in uitspraak, geen erotiek van de straat en broeierigheid, zoals in de Haagse voorstelling. Er is geen echte platheid maar gespeelde, precies en gedetailleerd en zorgvuldig. Er is afstand - met panoramisch uitzicht op een bij nader inzien toch niet zo bijster goed stuk.