Met lood in de schoenen

Bloknoot. Christelijk literair tijdschrift, februari 1994 (jaargang 3, nr. 1); 104 blz., ƒ 17,50; Noordsingel 51-a, 3035 EJ Rotterdam; jaarabonnement ƒ 45,- (4 nummers).

Ook in de wereld van het protestants proza in Nederland blijkt er sprake van scheidslijnen die pijn doen. In het jongste nummer van het christelijk literair tijdschrijft Bloknoot vaart redacteur Dirk Zwart vertoornd uit tegen de al veel langer bestaande concurrent uit eigen kring Woordwerk. Zijn klacht luidt dat het twee jaargangen oude Bloknoot daar wordt doodgezwegen, en dat bovendien het orthodoxe broederblad aan de haal gaat met de door Zwart aangezwengelde discussie over het probleem “waarom er zo weinig (goed, literair) proza wordt geschreven door christen-auteurs”. Het is een vraag die gemakkelijk tot geginnegap zou kunnen leiden, ware het niet dat uit Bloknoot een bijna wanhopige gedrevenheid en calvinistische schrijfzucht oprijzen die oprecht aandoen.

Opvallend in het tijdschrift is hoezeer de auteurs onderdanig en met lood in de schoenen - dus volslagen humorloos - opkijken tegen de literatuur. Het is alsof zij het verhalend woord verwarren met Het Woord zelve. Dat blijkt ook uit een betoog door Nico den Bok over De Wetten van Connie Palmen. Deze lichtvoetige zedenschets over het moderne leven wordt hier opgevat als een monumentale schildering van een 'bestaanswijze in het postchristelijke westen', waarin de 'fundamentele dubbelzinnigheid van onze houding tegenover het aardse' uitloopt in een bijna Augustiniaans 'fenomenologisch godsbewijs'.

Verder in Bloknoot een reconstructie van de 'kwestie Marieke Jonkman' die afgelopen november een rimpeling veroorzaakte in poëzie-minnend Nederland. Toen werd duidelijk dat de bejubelde gedichten van 'Marieke Jonkman' in werkelijkheid waren geschreven door Henk van der Ent, die zonder veel weerklank reeds jaren publiceerde als Anton Ent. In christelijke kring werd de mystificatie al geruime tijd vermoed, en het blijkt dat - ere wie ere toekomt - Bloknoot als eerste de zaak doorhad.

Onopgelost blijft onderwijl de kwestie 'waarom er zo weinig (goed, literair) proza wordt geschreven door christenauteurs'. Ik vrees zelfs dat na lezing van de dichtwerken in dit nummer ('wat waren we blij / met onze koelkast / we omhelsden het apparaat / en plakten er geen stickers op') menigeen zich ook zal afvragen waarom er zo weinig (goede, literaire) poëzie wordt geschreven door christen-auteurs.