Mensen die doen alsog ze poppen zijn die doen alsof ze mensen zijn; Het plezier van het net-alsof-principe

Voorstelling: Hedenavond. De schoonste geschiedenissen van de Poesjenellen. Regie en vormgeving: Rieks Swarte. Spel: Laus Steenbeeke, Catharina Haverkamp, Frank Houtappels e.a. Gezien: 25/2, Toneelschuur Haarlem. Aldaar t/m 2/3, daarna toernee.

In de theatrale werkelijkheid die Rieks Swarte met zijn kinderlijke geest en grenzeloze verbeeldingskracht schept, voelen zich waarschijnlijk vooral die toeschouwers thuis die de eenvoud en het plezier van het net-alsof-principe nog niet vergeten zijn. De figuurzaag is er even onmisbaar als de verkleedkist, een pruik bestaat uit uitgeplozen touw en een paard uit twee mannen onder een beddesprei. De grote veldslagen uit de geschiedenis worden met het triplex zwaard beslecht en acteurs zijn met even grote overgave Gijsbrecht van Aemstel als een Beatrix Potter-konijn. Swarte's zogenaamde 'speelgoedvoorstellingen' balanceren soms op de rand van knulligheid en meligheid, maar mij brengen ze in een aangename staat die het midden houdt tussen vertedering en de slappe lach.

In Hedenavond staat het poppenspel uit de Antwerpse Poesjenellenkelder centraal. Het is een sinds de achttiende eeuw bestaande, nu bijna verdwenen vorm van volksvermaak, waarbij primitieve poppen met het formaat van een flinke kleuter verhalen spelen, zoals die ook te lezen zijn in de vroegere volksboeken. Het zijn rijkelijk met jenever besproeide geschiedenissen van moord en doodslag, onmogelijke liefde, vriendschap en verraad. Naast traditionele Vlaamse poppen als de Neus, De Schele en Belle Jeanet treden piraten, prinsen en priesters op en regelmatig verschijnt in vurige dampen de Duivel zelf. Swarte en de zijnen spelen vijf stukken (dat is wat veel van het goede), waaronder een 'triestig blijspel', een 'groot avonturenspel' en het verhaal van Don Juan 'over de veulpoeper, die zijne moeder vermoordde, edoch lelijk terecht kwaamt'. Het sappige, maar goeddeels onverstaanbare Vlaams is vertaald in zinnetjes van quasi-literair gehalte - “Wat ben ik afgemat en wat moet ik wenen” - doorspekt met plastische scheldwoorden als 'piskous' of 'oude grolpot'. De omstandigheden zijn als in de echte Poesjenellenkelder: er wordt gespeeld in een klein lijsttoneel met coulissen en achterdoek, die onder een luid geschreeuwd 'hop' gewisseld worden, twee medewerkers in stofjas dirigeren het publiek naar hun plaatsen en uit een oud pick-upje kraken toepasselijke melodieën.

De grote vondst is dat acteurs de poppen spelen. Mensen doen alsof ze poppen zijn die doen alsof ze mensen zijn. Dat heeft een buitengewoon komisch effect, vooral waar de uitvergroting en houterige motoriek consequent worden volgehouden: dubbelgevouwen met maaiende ledematen in een gat storten, dood over de rand van de 'kast' neerhangen of als mollige engel aan een stevig koord rondzweven. De bakker komt op, zwaait olijk naar zijn publiek, zet zich in postuur en begint hysterisch te wenen, waarna hij verklaart: “Ik ben een arme bakker”. Kinderen zullen het misschien ook leuk vinden, maar ik denk dat de knipogen en dubbele bodems pas op waarde geschat kunnen worden door wie terugkijkt op de tijd toen een huilende bakker nog eenduidig verdriet betekende. Mensen die doen alsof ze poppen zijn die doen alsof ze mensen zijn

    • Bregje Boonstra