Maryse Condé beschrijft de complexiteit van de Cariben; Je kunt niet eeuwig je blik op het moederland vestigen

De Caribische auteur Maryse Condé dankt haar internationale bekendheid aan Ségou, een omvangrijk epos over de geschiedenis van Afrika. In haar recentere romans keert ze terug naar haar geboorte-eiland Guadeloupe. Vanavond houdt zij over dit thema de vijfde AnnieRomein-Verschoorlezing in Leiden.

De bestseller Ségou van Maryse Condé wordt op de Nederlandse pocketeditie aangeprezen als een monument in de Afrikaanse literatuur. Een Antilliaanse schrijfster die een Afrikaans epos schrijft, hoe kan dat? “Ségou is geen Afrikaans boek”, zegt Condé. “Het beschrijft Afrika vanuit de waarneming en het bewustzijn van een Antilliaanse. Ik denk dat Ségou niet door een Afrikaan geschreven had kunnen worden, omdat een Afrikaan geïnteresseerd is in de eigen lokale en sociale context, en niet in Afrika als totaliteit. Afrika bestaat alleen in de perceptie van kinderen van de zwarte diaspora zoals ik, wier voorouders als slaven uit Afrika zijn geëxporteerd. Wij kijken met een zekere afstand naar Afrika, omdat we er al eeuwenlang geen deel meer van uitmaken.”

Mede uit de reacties van Afrikaanse Ségou-lezers is haar gebleken dat veel mensen het boek niet in de eerste plaats op de Afrikaanse problematiek betrekken, maar het vooral als een spannende avonturenroman lezen. In sommige, met name islamitische Afrikaanse landen, heeft de roman kritiek geoogstvanwege de te negatieve manier waarop zij de islam zou hebben afgeschilderd. “Maar over het algemeen vinden mensen het zowel binnen als buiten Afrika een geslaagde roman”.

Haar eerste boek, De pelgrimage van Veronica, riep in Afrika vrijwel uitsluitend boze reacties op. Condé: “Dat boek was, in tegenstelling tot mijn welwillende benadering van Afrika in Ségou, bedoeld als kritiek op Afrika. In Parijs, waar ik eind jaren vijftig studeerde, kwam ik voor het eerst in aanraking met communistische en anti-kolonialistische ideeën, en met het 'terug naar Afrika'-ideaal van de negritudebeweging. Ik trouwde met een Afrikaan, die Archibald speelde in Le Nègre' van Jean Genet, en we stichtten een gezin in het net onafhankelijk geworden Guinee van de socialist Sékou Touré. Maar wat ik daar aantrof leek in de verste verte niet op de mythe die de mensen van de negritude-beweging hadden verzonnen. De revolutie en de onafhankelijkheid ten spijt was Guinee een land waar mensen onderdrukt en vervolgd werden, waar armoede hoogtij vierde, waar de mensen ongelukkig waren. Bovendien hoorde ik er ondanks mijn zwarte huidskleur niet thuis, de cultuurverschillen waren veel groter dan ik had verwacht. Mijn huwelijk liep stuk en ik vertrok met mijn kinderen naar Ghana.”

Later woonde zij nog enige tijd in Senegal, maar al met al was haar verblijf in Afrika een ontgoochelende ervaring. In De pelgrimage van Veronica gaf zij onverbloemd lucht aan haar teleurstelling over Afrika. “Dat is me niet in dank afgenomen. Ook al doordat iedere letter in het boek als autobiografisch werd geïnterpreteerd. De fictieve affaire tussen de hoofdpersoon en een hooggeplaatste regeringsfunctionaris met bloed aan zijn handen werd mij persoonlijk kwalijk genomen. Tot in de Antillen verschenen er kritieken waarin ik het etiket 'hoer' kreeg opgeplakt, en waarin werd geklaagd dat er een geur van sperma uit het boek opsteeg.”

Sinds 'De pelgrimage van Veronica' en 'Ségou' schrijft u niet meer over Afrika, maar spelen uw boeken voornamelijk in de Cariben. Heeft u Afrika voorgoed de rug toegekeerd?

“Je kunt niet eeuwig je blik op het moederland gevestigd houden en blijven jammeren over de verbanning en de scheiding. Voor mij hoort Afrika inderdaad tot het verleden. Ik woon er niet meer, ik kom er niet meer, ik denk niet dat ik er ooit nog over zal schrijven. Wat mij nu interesseert is de complexe realiteit van de Cariben, en die van de andere diasporaculturen in Latijns Amerika en de Verenigde Staten. Ik woon tegenwoordig met mijn tweede man, een Engelsman, voor de helft van het jaar in de VS, waar ik franstalige Antilliaanse literatuur doceer aan de universiteit, en de andere helft in Guadeloupe. Mijn eerste kennismaking met de VS inspireerde mij tot het schrijven van Tituba, een boek over een zwarte heks uit de Cariben die in een puriteinse dorpsgemeenschap in Noord-Amerika verketterd wordt. Mijn meest Caribische boek is Tocht door de mangrove, dat ik tijdens een verblijf in Guadeloupe heb geschreven. Het bestaat uitsluitend uit monologue intérieur-verhalen van eilandbewoners, die hun gedachten laten gaan over de enige buitenlander op het eiland, bij wiens lijk ze een dodenwake houden. In hun relatie tot de buitenlander bepalen zij hun eigen Caribische identiteit.”

Met name in 'Tocht door de mangrove', maar ook in andere romans gebruikt u geregeld Creoolse woorden. Wat betekent het Creools voor u?

“Het is de dagelijkse voertaal voor mensen in Guadeloupe. Ik ben er als kind mee opgegroeid, en voel me er even vertrouwd mee als met het Frans, de officiële taal. Beide talen zijn onlosmakelijk verbonden met de Antilliaanse cultuur en identiteit. Voor mij is Frans altijd de vanzelfsprekende taalgeweest om in te schrijven, maar ik probeer het Creools daarin een plaats te geven, zonder te vervallen in bananenfrans. Ik streef naar een Frans dat de Creoolse beeldspraken en het Creoolse ritme op een natuurlijke wijze integreert.” Het laatste en naar mijn mening mooiste boek dat van Condé in het Nederlands is verschenen, is Het valse leven. In deze roman is de hoofdpersoon die haar familiegeschiedenis probeert te reconstrueren, opnieuw op zoek naar haar wortels en haar Caribische identiteit.

Is dat thema het kruis dat een Caribisch auteur moet dragen?

“Nee, volgens mij is het een thema dat alle schrijvers kwelt en kriebelt. Het ligt ten grondslag aan alle literatuur overal ter wereld. Een Europese schrijver als Marcel Proust doet in La recherche du temps perdu ook niet anders dan zijn identiteit zoeken. Iedere schrijver probeert telkens opnieuw een antwoord te formuleren op de vraag 'wie ben ik en hoe sta ik in de wereld?' Als hij het antwoord op die vraag heeft gevonden, kan hij wel ophouden met schrijven.”

    • Judith Uyterlinde