'Ideologie helpt weinig in de stadsdeelraad'

De stadsdeelraden van Amsterdam hebben hun bestaansrecht bewezen, vinden veel Amsterdamse bestuurders. Al zijn er misschien wat te veel. En al is het bestuur te kleinsteeds. “Politieke beslissingen zijn schaars op deelraadniveau.”

AMSTERDAM, 1 MAART. Het meewarige is er nog niet helemaal af, vindt voorzitter K. van Elk van de Watergraafsmeer. Maar toch, langzaam maar zeker heeft waardering voor de deelraden de overhand gekregen in Amsterdam.

Er is wat afgesmaald toen halverwege de jaren tachtig ernst werd gemaakt met de opdeling van de hoofdstad. De sceptici zagen de wijkburgemeesters al met de wijk-ambtsketen door hun stratenblokken paraderen. Of vergaderingen waarin stadsdeel de Pijp eenzijdig een economische boycot van Zuid-Afrika zou afkondigen. Nu kan wethouder Genet van Amsterdam op het succes van de deelraden wijzen zonder dat iemand erom lacht.

Achttien stadsdelen heeft Amsterdam, zestien daarvan worden bestierd door een deelraad; de binnenstad werd daarvoor te grootsteeds geacht en het westelijk havengebied telt maar 290 inwoners. De andere stadsdelen variëren in omvang van bijna 91.000 inwoners in Zuidoost tot ruim 19.000 in Buitenveldert. De sfeer verloopt van de groene Watergraafsmeer tot de grauwe huizenblokken van Bos en Lommer. De bewoners variëren van de welgestelden in Zuid tot de duizenden nieuwkomers per jaar in Zuidoost.

De diverse stadsdelen worden geconfronteerd met problemen op heel verschillend niveau. Zo kan de lijstaanvoerder van D66 in de Rivierenbuurt voor de komende vier jaar rustig het beleidsvoornemen koesteren “de buurt gezelliger te maken”. Dat is een luxe die zijn partijgenoot in Oud West zich moeilijk kan permitteren.

Het bestuur dichter bij de burgers brengen, dat was de achterliggende gedachte van de latere PvdA-wethouder Van der Vlis toen hij in 1972 de nota 'Macht aan de wijken' schreef, waarin hij tientallen deeldemocratieën in Amsterdam liet verrijzen. In 1981 werden de eerste twee deelraden ingesteld: Noord en Osdorp. Zes jaar later kwamen er nog eens vier bij, in 1990 de laatste tien. Jaarlijks gaat er zo'n miljard gulden naar toe.

J.M. den Uyl stond aan de wieg van de deelraden. Halverwege de jaren tachtig werd hij jurist bij het projectbureau binnengemeentelijke decentralisatie. De splitsingsoperatie had er net een doel bijgekregen: door decentralisatie zou fors bezuinigd kunnen worden op de ambtelijke diensten. De impliciete taak, volgens Den Uyl, was dat de politiek de grote ambtelijke diensten met te veel macht, zoals de dienst publieke werken, dichter op de huid ging zitten.

Daarom moest de politiek de wijken in. Maar of de burger zich zou kunnen identificeren met een stadsdeelbestuur, was een open vraag. Een van de sombere voorspellingen in 1987 was dat de grootstedelingen niet de moeite zouden nemen naar de 'dorpsverkiezingen' te komen. Dat blijkt achteraf mee te vallen. In Zuidoost en de Watergraafsmeer kwamen in 1991 zelfs iets meer mensen voor de deelraadsverkiezingen opdagen dan voor de tegelijk gehouden provinciale-statenverkiezingen.

Aan de andere kant, in Amsterdam Oost weet 20 procent van de bevolking niet eens dat er zoiets is als een stadsdeel Oost. De overige tachtig procent kent zijn naaste overheid vooral als loket voor paspoortafgifte en bevolkingsregister. E. Kalk, hoofd van de afdeling bestuurscontacten van de centrale stad: “De deelraden worden het meest gewaardeerd om de verbetering van de dienstverlening. Op het punt van de democratisering is de uitslag nog onbeslist.”

Het heeft misschien te maken met het karakter van de politiek in de stadsdelen. Kalk: “Er is een groeiend aantal issues die geen partijpolitiek karakter hebben: beheervraagstukken, veiligheid. Voor dit soort zaken was het niet strikt noodzakelijk geweest de politiek mee te decentraliseren.” In zijn herinnering rouleerden er vóór de invoering van de stadsdelen drie modellen van zelfbestuur. “Buurtraden, de versterking van de wijkopbouworganen en bewonersorganisaties of een kopie van de gemeenteraad. Het laatste model is geadopteerd en daarmee zijn de deelraden opgezadeld met een partijpolitieke erfenis.”

Hij heeft het gevolg ervan in de Pijp gezien. “Daar hebben de bestuurders nog zo'n houding van: 'wij zijn gekozen, dus wij weten heus wel wat goed is'. Daar hebben bewoners een grote hekel aan. De buurt heeft geen behoefte aan Machers, de buurt heeft behoefte aan makelaars. Aanspreekbare figuren met oor voor de bewoners. Laat de politieke agenda bepalen door actieve mensen in de buurt. Dat is dan misschien geen volwaardige politiek, maar wel betrokkenheid.”

Aanspreekbaar is de deelraadspoliticus zeker. Van Elk: “Je wordt voortdurend aangesproken door inwoners. Tot in de Albert Heijn toe.” Het is zelden met de wereldproblemen dat de bewoners naar hun bestuurders toestappen. Het gaat over het schrappen van parkeerplaatsen, het kappen van bomen, zaken die de buurtbewoners raken. Een vruchtbare bodem voor lokale partijen.

Dit jaar doen dan ook in elf van de zestien deelraden belangenpartijen mee aan de verkiezingen. Sommige zijn al oud, zoals de Osdorp Onafhankelijk Zelfbestuur '81. Anderen komen dit jaar voor het eerst op een lijst voor, zoals de Pijpbelangen tegen deelraadwillekeur. In de Watergraafsmeer werd Meerbelangen in 1991 zelfs de grootste partij met zes zetels. Meerbelangen-voorman S. Polman vindt dat juist een partij als de zijne in de deelraad thuishoort. “Wij zijn een belangenpartij. Aan ideologieën heb je hier weinig.”

P. Domela Nieuwenhuis, lijsttrekker van Staatsbelangen, een lokale lijst in stadsdeel Westerpark, denkt er hetzelfde over. “Belangenpartijen vormen het bewijs dat de bevolking geïnteresseerd is in het bestuur.” Op zijn 'verlanglijstje' staat ondermeer “een klok op het Van Limburg Stirumplein”.

Ja, geeft Van Elk (PvdA) toe, je kunt kritiek hebben op het ontbreken van een grootsteedse visie bij de deelraadsbesturen. Den Uyl kijkt verder: “Ik zie ook ontwikkelingen die de andere kant op wijzen. De samenwerking van de westelijk tuinsteden bijvoorbeeld.” Die samenwerking zou een opstap kunnen zijn naar formele fusie tussen stadsdelen van relatief geringe omvang met gelijke problemen. De meeste stadsdelen zweven qua inwoneraantal rond de dertigduizend. Buitenveldert, de Rivierenbuurt, de Watergraafsmeer en Zeeburg zijn de kleintjes.

Met een schuin oog naar de stadsprovincie die in 1998 Amsterdam moet overkoepelen, pleiten verscheidene politieke partijen voor het terugbrengen van het aantal stadsdelen. F. Houterman van de VVD wil bijvoorbeeld “acht, negen deelraden van elk zo'n 70.000 inwoners.” Bijkomend voordeel is dat de partijen dan geen honderd bestuurders meer hoeven te recruteren, zodat je een “betere selectie van politici” krijgt, zo denkt Houterman.