Het vege lijf 7

Peter had al vroeg problemen met zijn evenwicht. Om niet scheef te lopen droeg hij twee tassen, in iedere hand één. Eén tas vulde hij met nutteloze rommel. “Dat is ballast”, verklaarde hij, “Zo loop ik recht.”

Later ontwikkelde zijn onzekerheid over zijn evenwicht zich tot een grote angst te zullen omvallen. Slechts korte tijd vertrouwde hij erop met behulp van een wandelstok een smak tegen de grond te kunnen voorkomen. Spoedig was dit hulpmiddel onvoldoende. Hij kwam zijn stoel nog zo weinig mogelijk uit en zette alles wat hij nodig had om de dag door te komen onder handbereik om zich heen. Het was op de tafel voor hem, op en in een kastje aan zijn linkerhand en op een stoel rechts van hem, een voor buitenstaanders onoverzichtelijke wanorde.

Maar Peter wist feilloos de weg tussen halfopgebrande sigaretten, resten taart, kaas, brood, schone overhemden, oploskoffie, pennen, een schrijfmachine waaraan de letter e ontbrak, stukken zeep, kaarsen, een kerstmannetje, scheergerei en vele andere zaken waaraan hij om praktische of sentimentele reden gehecht was. Boodschappen deed hij niet meer zelf maar liet hij voor zich doen en pas als het geheel onvermijdelijk was, bijvoorbeeld als hij naar de wc of naar bed moest, stond hij op en schuifelde moeizaam door zijn huis, steunend op een looprek dat hem op advies van huisarts en wijkverpleegster was verstrekt.

De huishoudelijke hulp van menslievende stadgenoten aanvaardde Peter grommend. “Ik wil niemand dankjewel zeggen”, zei hij voortdurend. Zijn verlangen naar onafhankelijkheid dwong veel respect af. Als hij jarig was spanden alle buurvrouwen zich in om hem met taart en andere lekkernijen te verwennen. “Nu mag je niet weigeren”, zeiden ze, vergetend dat Peter nog nooit iets geweigerd had.

Peter leerde de voordelen van het zittende bestaan kennen. Zo genoot hij van een speciale dienstverlening van de British Railways, die voor hem tijdens een rondreis door Engeland op ieder station iemand met een rolstoel gereed hadden staan. Peter trok rond zonder een stap te doen.

Toen hij oud werd verloor Peter het zicht op de werkelijkheid en vroeg hij, zittend in zijn wagentje, in het bejaardenhuis jonge verpleegsters ten huwelijk. Hij leek leeftijdverschillen over het hoofd te zien. Hij scheen zich ook niet meer te realiseren dat hij in een rolstoel zat omdat hij bang was te zullen vallen. Hij vond het onbegrijpelijk dat de verpleegsters niet evenveel naar hem verlangden als hij naar hen.

Hij werd ook achterdochtig. Zijn zoons zag hij aan voor rechercheurs die probeerden aan te tonen dat zijn sigaretten gestolen waren. Dat was zeer angstaanjagend voor hem, want bij gebrek aan een verpleegster als echtgenote waren de sigaretten het enige waarvan hij nog genoot. Voor het geval er nog eens sigarettenloze tijden zouden komen bewaarde hij de peuken dan ook in grote glazen potten, die stampvol als surrealistische kunstwerken op een plank boven zijn bed stonden.

Peters dood kwam uiterst traag. Hij kreeg een lichte hersenbloeding, herstelde wat, kreeg nog een bloeding, herstelde weer. Toen zijn einde leek te komen, duurde zijn sterfbed langer dan verpleging en nabestaanden konden verdragen. Peter was al lang in coma, zijn benen waren zwart, maar zijn hart bleef onverstoord door kloppen. Een katholieke verpleegster probeerde hem een handje te helpen. Ze ging met een bijbel naast hem zitten, zei te veronderstellen dat hij haar niet zou horen en las toen een tekst waaruit de dood als een rustgevend perspectief lonkte. Het hielp niet, Peters hart bleef kloppen.

Tenslotte werd er een arts bijgehaald. Die was bereid met extra morfine Peter een duwtje op zijn weg naar het einde te geven. Het was om Peter uit zijn lijden te verlossen, zei hij, hoewel de stervende in coma was en lijden alleen zichtbaar was op de gezichten van degenen die op zijn dood wachtten. Peter stierf spoedig daarna. Zijn nabestaanden konden zijn wandelstok, looprek of rolstoel niet als herinnering aan zijn wankele bestaan mee naar huis nemen, omdat deze attributen al verdwenen waren voordat Peter begraven was.