Banenkampioenen

De economie beheerst de politiek. Hoe waar deze uitspraak van Hans Ree is bewijzen de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen die onlangs zijn voorzien van het keurmerk CPB. Alle partijen beloven banengroei, waarbij de VVD met 124.000 in 1998 het hoogste scoort en Groen Links met 86.000 het laagste. Andere partijen kunnen zich op de borst kloppen omdat ze de koopkracht voor de minima het meest ontzien of het meest overhebben voor het milieu. Geen enkele partij zakt voor het examen van het Centraal Planbureau, omdat ze allemaal graag het financieringstekort van de overheid verlagen tot op of onder de Europese norm van drie procent.

Werkgelegenheid is voor alle partijen hèt centrale thema. De banenwinst die zij zich toerekenen, is natuurlijk louter theorie en zelfs op het geduldige papier nogal bedriegelijk, omdat zelfs in het programma van banenkampioen VVD het aantal werklozen niet afneemt. In feite staat de politiek machteloos tegenover de onoplosbaarheid van het werkloosheidsvraagstuk. Het aantal werklozen zal aan het eind van de volgende kabinetsperiode niet noemenswaard zijn afgenomen, ook al zouden de meest ambitieuze banenplannen het succes hebben dat zij volgens de computeruitdraai van het CPB beloven.

Dit duidt erop dat de vraag nog altijd achterblijft bij het aanbod van arbeid en dat het overschot niet wordt geruimd door verlaging van de reële loonvoet. De Sociaal-Economische Raad wil alles op alles zetten om vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt de arbeidsparticipatie te stimuleren. In een ontwerp-advies wordt het komende kabinet de raad gegeven om een 'robuuste impuls' te geven van 15 miljard gulden om de wig, het verschil tussen bruto- en nettoloon, te verkleinen. Ook wordt aanbevolen de 'remweg' van de loonontwikkeling te verkorten. Daarme wordt bedoeld dat de stijging van de reële arbeidskosten achter moet blijven bij de groei van de arbeidsproduktiviteit. Het advies spreekt verder over 'stimulerende sociale zekerheid'. Dit betekent vooral vergroting van het verschil tussen uitkering en loon om werken aantrekkelijker te maken. Aanpassing van het mimimumloon en de uitkeringen aan de loonontwikkeling zit er volgens de SER de komende vier jaar niet in.

Ook met deze maatregelen zal de totale hoeveelheid werk niet worden vergroot. Het beleid wordt in hoofdzaak gericht op de onderkant van de arbeidsmarkt. Het scheppen van 'eenvoudige banen' - zo treffend gehekeld door Van Kooten en De Bie in een van de pittigste programma's die ik ooit van ze heb gezien - heeft met echt werkgelegenheidsbeleid niet veel te maken.

Door de blijvende verstoring van het evenwicht op de arbeidsmarkt zijn we genoodzaakt af te rekenen met het ideaal van de verzorgingsstaat die gebaseerd was op de gedachte van de rechtvaardige verdeling van de welvaartsgroei. We zijn bezig dit principe te vervangen door een stelsel dat gebaseerd is op behoeftevoorziening. Daar past geen koppeling tussen lonen en uitkeringen meer in. Verdeling van de welvaart moet plaatsmaken voor verdeling van de armoede; het stelsel van sociale zekerheid verandert daardoor in een systeem van armenzorg. Allerlei uitspraken van politici wijzen erop dat de cultuuromslag zich niet alleen bij christen-democraten en liberalen, maar ook bij de sociaal-democraten, heeft voltrokken. Zo hoor je ze vaak zeggen dat we de sociale zekerheid moeten behouden door de uitkeringen alleen te bestemmen voor 'degenen die het echt nodig hebben'.

Een forse stap naar een stelsel van behoeftevoorziening is het plan van de werkgeversorganisaties VNO en NCW om de WW en WAO-uitkeringen te beperken tot twee jaar. Daarna moeten werklozen en arbeidsongeschikten terugvallen op de bijstand. De voorzitter van het VNO, Rinnooy Kan, rechtvaardigde deze ingreep met de stelling dat mensen die langer dan twee jaar werkloos zijn toch geen uitzicht meer hebben op een baan. Dat is een heel ander verhaal dan de sprookjes van de politieke banenkampioenen. Maar ja, VNO en NCW behoeven dan ook geen stemmen te winnen.