Minister-president kan diplomatie een facelift geven

Wie van onze nationale politici na de algemene verkiezingen tot minister-president wordt verheven, hangt in hoofdzaak af van binnenlands-politieke overwegingen. Of die persoon ook aanvaardbaar zal zijn in buitenlands-politieke ogen pleegt als een secundaire kwestie te worden beschouwd. Is dat in een wereld van groeiende onderlinge afhankelijkheid en een steeds voortgaande intensivering van grensoverschrijdende contacten nog wel de juiste benadering?

In onze internationale vertegenwoordiging - en die omvat naast de overheid ook het bedrijfsleven - wordt steeds pijnlijker voelbaar dat Nederland geen afzonderlijke opleiding voor topfuncties kent, vergelijkbaar met bijvoorbeeld de Franse 'École Nationale d'Administration' en de even selectieve Britse 'Colleges'. Als consequentie van een jarenlang volgehouden alles-nivellerend beleid moeten wij het in het internationale gesprek anders dan de Fransen doen zonder 'Enarchen', anders dan de Britten zonder figuren van een 'effortless superiority', zoals die op Balliol aan bijvoorbeeld Harold MacMillan werd bijgebracht. Moge onze nieuwe minister-president voldoende eigenschappen van Erasmus' 'Omnium horarum homo' bezitten om het bestaan van dit fundamentele probleem te erkennen en er iets aan te doen.

De minister-president zelf moet in steeds sterkere mate worden beoordeeld op de wijze waarop hij zich in de internationale discussie beweegt en de Nederlandse belangen over de grenzen uitdraagt, op het beeld van Nederland dat hij op zijn gesprekspartners overbrengt en op het gezag dat hij daarmee in het verkeer der naties opbouwt. De positie van Nederland in het internationale krachtenspel bepaalt de eigenschappen die hij moet bezitten. Nederland is geen grote mogendheid maar ook geen 'klein landje'; een uit economisch en commercieel oogpunt middelgrote natie, geografisch gelegen op een knooppunt van verbindingswegen en invloeden, maar tevens meer en meer aan de periferie van een zichzelf zoekend Europa.

Vooral dit laatste aspect geeft het hedendaagse Nederland een curieuze dubbelzinnigheid die onmiddellijk afstraalt op het internationale imago van de minister-president. Hij verpersoonlijkt een land dat zich onbewust nog vaak het centrum van de wereld waant en tegelijkertijd aankijkt tegen de hedendaagse realiteit van de Europese ontwikkelingen, die onze status meer en meer reduceren tot die van een Duitse deelstaat. Hierbij komt dat het volgens onze staatkundige traditie de minister van buitenlandse zaken is, en niet de minister-president, die voor het buitenlandse beleid verantwoordelijk is jegens de Staten-Generaal. De minister-president is 'slechts' voorzitter van de ministerraad. Toch wordt hij geacht aan de internationale besluitvorming op het hoogste niveau mee te doen.

Ongeacht de vraag of voor dit constitutionele probleem bij de komende kabinetsformatie een oplossing zal worden gevonden, zal bij de grotere mogendheden de neiging blijven overheersen om onderling de zaken over de hoofden van de kleinere landen heen te regelen. Deze neiging zal zelfs sterker worden nu tal van uit de Tweede Wereldoorlog en diens nasleep geboren internationale organisaties hun tijd lijken te hebben gehad. Wat voor soort minister-president hebben wij derhalve nodig om zijn collegae te doen beseffen dat naar de Nederlandse stem moet worden geluisterd?

In de eerste plaats moet de regering duidelijke en realistische denkbeelden hebben over de aanpak van zich aandienende internationale problemen. Aan gidsen, boetepredikers en wereldverbeteraars bestaat in de diplomatie geen behoefte, wel aan praktische denkers en doeners met visie. Vervolgens is de persoonlijkheid van belang: de wijze waarop de minister-president zich in het internationale circuit opstelt en gedraagt, het niveau en de overtuigingskracht waarmee hij zijn partners tegemoettreedt, het gemak en het gezag waarmee hij de Nederlandse denkbeelden weet uit te dragen en te pousseren. Nodig zijn talenkennis en -beheersing, politieke flair, zin voor relativering, een zekere culturele diepte, een intuïtief aanvoelen van situaties, het in Nederland helaas zeldzame vermogen om een korte, kernachtige speech te houden. Deze eigenschappen komen door het benepen karakter van het intern-politieke gemillimeter en het ontbreken van een opleiding voor topfuncties te onzent helaas onvoldoende uit de verf.

J.H. Lubbers is oud-ambassadeur van Nederland in Washington.