Een droom

Ik ben in Venetië, mijn lievelingsstad. Ik dwaal door de achterafstegen.

Half mistig. Zwavelgeur. De lucht van bestrijdingsmiddelen. Duistere figuren die zich voorthaasten door de smalle straten. Het water geleidt het geluid van voetstappen. Rook. Vuren op de smalle trappen. Bij de bruggen. Op de binnenplaatsen. Opwaaiend papier. Geklepper. Gehuil van een weggetrapte hond. Het water is pikzwart. Ik draag mijn witte zomerpak. Mijn witte panamahoed en rode zijden stropdas. Ik rook Egyptische sigaretten met gouden mondstuk. Ik rook onafgebroken. Ik ben een kettingroker. Ik ben erg ongelukkig. Ik ben zwak. Ik ben moe. Ik kan bijna niet meer. Ik droom dat ik droom, maar ik kan er niet uitstappen. Ik zoek steun tegen de vochtige muren. Alles wat lief is, is weg. Ik raak in paniek. Ik kan geen lucht meer krijgen. Wie helpt me? Daar zit ik op een stoomboot. Een blonde jongen in korte broek en matrozenhemd kijkt me argwanend aan. Toch komt hij op mijn schoot zitten. Ik streel door zijn blonde haren. Waar ken ik dat ventje van? De kapitein is erg vriendelijk. Ik krijg een ligstoel aangeboden. We varen al op volle zee. Zie ik daar het Lido? Ouderwetse badhuisjes. Een meisje roept dat ze verdrinkt. Ik kan haar niet helpen. Het meisje staat op een balkon. Ik ken haar. Ik weet wie het is. Ach, was ze toch bij me, voor altijd op deze eindeloze, oneindige stoomboot. “U mag blij zijn dat u deze boot hebt gehaald. Kijk achter u, meneer. U heet toch Dirk Bogarde, is het niet? Venetië is een dodenstad. Een mens kan wat zijn gezondheid betreft niet goed genoeg uitkijken. Wij gaan naar Triëst. Daar zult u oude bekenden ontmoeten. Zij zullen blij zijn met uw komst. Ik ben ook scheepsarts. Ik ben zwaar bijziende. Ik heb een goede zangstem. Kent u de liederen van Schubert? Ik speel gitaar. Ik spreek tien talen. Nee, meer. Twaalf. Ik ben een Ier. Het liefst was ik oogarts geworden. Dat is in mijn geval nooit weg. Ik zal bevel geven dat het gestamp en gedreun nu eens eindelijk ophoudt. Ik geef les in Triëst. Ik kom er met moeite aan de kost. Ik heb een vrouw en een kind. Daar heb je de havengebouwen al. Heel anders dan in Dublin waar ik op school zat. U zult me aan u verplichten als u bij me blijft eten. Triëst is een oude stad. Kent u Antwerpen? U heeft een zangerskop. Ik vergis me nooit. Daarboven ligt het kasteel en de dom. Daarginds is Winckelmann vermoord. Kijk om u heen en zie hoe het classicisme hier hoogtij viert. Ik schrijf dikke boeken maar vind geen uitgever. U staat nu al versteld van de schoonheid van deze stad? Terwijl industrie en handel hier bloeien. Het een hoeft het andere toch niet uit te sluiten? Vanavond stel ik u voor aan Italo Svevo, mijn vriend. Ik voel eerlijk gezegd dat u doodgaat. U zult sterven in Triëst, is het niet? Of heeft u andere plannen? Uw vriendin zal u helpen begraven. Ze legt u in het verkeerde graf en zal vervolgens achter de verkeerde lijkstoet aanlopen. Daar komt Svevo. Eigenlijk een toneelspeler. Hij heeft ook een mooie stem. Wij zouden gedrieën Schubert kunnen gaan zingen. Mijn vrouw speelt goed piano. U zingt te hard. Svevo houdt niet van hard zingen. De schepen in Triëst varen in en uit. Svevo brengt u straks in zijn razendsnelle sportauto naar uw hotel, waar Rilke woonde. Een tbc-achtig type voor wie je moet oppassen.”

“U heeft de handen van uw moeder”, zegt Svevo. “Laat ons gaan zingen voor ze u begraven. Ik weet wat ze bij uw graf zullen spelen: doedelzakmuziek. Muziek die u haat. Een gruwelijk instrument. Er is niets aan te doen. Ik ben het geheel met u eens. Muziek is nooit zo maar muziek. Het verschil maakt immers juist de goede muziek uit. Het leven. Ik kan u, wat uw dood betreft, niet redden en evenmin van de blonde jongeman in zijn matrozenpak die de doedelzak zal blazen. Blaast en blaast, terwijl u langzaam in de aarde verdwijnt. Schubert. Ik weet dat u Schubert kent, uw lieveling. Mijn Ierse vriend, halfblind en scheel, meer dood dan levend, houdt van Schubert. HIJ wilde zanger worden. IK toneelspeler. En u? U bent zo stil. Kom, laat ons Schubert zingen. Wat denkt u van 'Fremd bin ich eingezogen'. Als hij er bij was zou hij meezingen. 'Dort wo du nicht bist, dort ist das Glück...' Laten we ze allemáál zingen, die Schubertliederen. Alle zeshonderd. En dan weer opnieuw. En opnieuw en opnieuw. Nooit komt er een einde aan. Steeds opnieuw. Voor u, tijdens het korte doedelzakspelen, de grond in gaat.”