Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Van Miert vreest voor verscheurd Europa

BRUSSEL, 26 FEBR. Europees commissaris Karel van Miert (52) is niet bepaald optimistisch over de samenwerking in Europa. Als verantwoordelijke voor het concurrentiebeleid heeft hij de afgelopen tijd gemerkt hoe de recessie de nationalistische tendenzen in de Europese Unie weer heeft aangewakkerd. “Ongeacht de politieke kleur van de regering, zie je dat men hoe langer hoe minder de druk kan weerstaan om toch maar overheidssteun te geven in één of andere vorm als ergens een bedrijf over de kop dreigt te gaan of een sector in moeilijkheden dreigt te komen”.

Van Miert ziet de problemen voor de Europese samenwerking zich de komende jaren alleen maar opstapelen. De Europese Unie dreigt verscheurd te raken in de discussie over 'uitbreiding' of 'verdieping', vreest hij. Het is nu al vaak zo moeilijk om een beetje coherentie te bewaren in het optreden van de Unie. Hoe zal dat gaan als straks de vier nieuwe leden - Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk - zijn toegetreden, ieder met hun eigen specifieke verlangens en gevoeligheden, en als vervolgens over enkele jaren nieuwe uitbreidingen met bijvoorbeeld een klein land als Malta aan de orde komen?

Van Miert heeft er een hard hoofd in. Aanmodderen zoals nu - met het krampachtig blijven vasthouden aan de huidige hybride structuur van de Unie waarbij besluiten deels communautair worden genomen met meerderheid van stemmen en deels het resultaat zijn van overleg tussen lidstaten waarbij unanimiteit vereist is - zal de Europese Unie onvermijdelijk verder doen wegzinken in een moeras van besluiteloosheid en machteloosheid, voorspelt hij.

Als de Europese Unie haar besluitvormingsmechanisme niet drastisch versterkt, programmeert ze haar 'eigen desintegratie', herhaalt de Europees commissaris een aantal keren in het gesprek. Er zijn volgens hem nu al allerlei tekenen die eerder wijzen op desintegratie dan op integratie. “Het wordt tijd dat men eens de moed heeft dat probleem onder ogen te zien.”

Volgens Van Miert is het voor het functioneren van de Europese Unie van essentieel belang dat de huidige situatie wordt doorbroken waarin één lidstaat de besluitvorming in Brussel kan blokkeren. Dat betekent dat afscheid moet worden genomen van het unanimiteitsbeginsel. Ook komt onvermijdelijk de vraag aan de orde of elke lidstaat, klein of groot, in de toekomst nog wel zijn eigen kandidaat moet benoemen in de Europese Commissie. Op dit moment telt de Europese Commissie al 17 leden; met de komst van Noorwegen, Zweden, Finland en Oostenrijk worden dat er 21.

Van Miert is het eens met de critici die stellen dat die 'mechanische' uitbreiding ten koste gaat van de efficiëntie. Een college van rond de 15 leden is volgens hem voldoende. “Gaat men in de richting van de twintig of meer, dan gaat men de zaken hier nog verder compliceren. Dan moeten de verschillende bevoegdheden nog verder worden opgedeeld en je weet hoe het gaat in het leven: hoe meer mensen in een regering, hoe meer er gehakketakt wordt en hoe langer de zaken duren. Ik vind dit dus geen goede ontwikkeling. Maar dan stuit je natuurlijk precies op het kernprobleem: zolang de regel is dat elke lidstaat ten minste een lid in de commissie moet hebben, krijg je een automatische uitbreiding. Daar zet ik grote vraagtekens bij, maar het betekent ook dat je zou moeten afstappen van iets dat door alle lidstaten als een bijna heilig gegeven wordt beschouwd.”

Binnen de Europese Unie is afgesproken dat dergelijke 'institutionele' vraagstukken voorlopig nog even worden vermeden. Ze zullen pas in 1996 aan de orde komen, als het Verdrag van Maastricht wordt geëvolueerd. Dan moet er een formule worden gevonden om de verhouding tussen de kleine en grote lidstaten in de verschillende Europese organen te regelen.

De vraag is evenwel of de Europese Unie zich een dergelijke herhaling van de Maastricht-discussie wel kan veroorloven, gezien de tegenstrijdige belangen en opvattingen in de lidstaten. “Als je die discussie opnieuw op de klassieke manier gaat voeren, dan vrees ik dat het eindeloos gaat duren.” Daarom stelt Van Miert een radikale oplossing voor. De lidstaten moeten gaan onderhandelen over de gewenste inrichting van de Europese Unie, waarbij ook het Europese Parlement wordt betrokken. Het resultaat zou vervolgens aan een referendum onderworpen moeten worden, maar niet op de manier zoals met het Verdrag van Maastricht is gebeurd, waarbij een Deens 'nee' de hele zaak kan ophouden.

Van Miert: “Leg het resultaat voor aan de gehele bevolking in de Europese Unie. Niet een referendum per land, waarbij het kleinste land het recht heeft om de hele boel te blokkeren, want daarmee organiseer je op den duur je eigen desintegratie. Nee, je organiseert een referendum voor de totale bevolking van Unie. Die leg je een bijna grondwettelijk probleem voor. Je zegt: dat is het resultaat van de onderhandelingen, met de inbreng van het Europese Parlement erbij. Spreekt u zich maar uit. Dat zou een logische gang van zaken zijn. Maar ja, ik ben waarschijnlijk aan het dagdromen als ik zoiets zeg.”

Van Miert - geboren in Oud-Turnhout, tien jaar lang voorzitter van de Vlaamse Socialistische Partij, voormalig lid van het Belgische en van het Europese Parlement - werd in 1989 Europees commissaris van vervoer. Vorig jaar nam hij de portefeuille concurrentie over van Sir Leon Brittan. Diplomaten in Brussel noemen hem een capabele pragmaticus en iemand die niet over zich laat lopen maar die wel altijd bereid is om te zoeken naar oplossingen en die gemakkelijk benaderbaar is.

Pag.16: Staalsanering in Europese Unie bijna in coma

De laatste maanden is Van Miert vooral in de weer geweest met de crisis in de Europese staalindustrie waarbij tienduizenden arbeidsplaatsen op het spel staan. Binnen de Europese Unie wordt al anderhalf jaar gesproken over een vrijwillige sanering van de noodlijdende staalsector. Industrie en Europese Commissie hebben afgesproken dat vanuit Brussel geld beschikbaar wordt gesteld voor de sociale begeleiding, op voorwaarde dat de staalondernemingen zelf voldoende geloofwaardige plannen op tafel leggen voor vermindering van produktiecapaciteit. Ook is de Commissie behulpzaam met onder andere het geven van prijsindicaties aan de ondernemingen en met het 'bewaken' van de Europese buitengrenzen tegen al te overvloedige importen.

Afgelopen december werd overeenstemming bereikt over inkrimping van de produktiecapaciteit bij een aantal Spaanse, Italiaanse, Duitse en Portugese ondernemingen die recentelijk staatssteun hebben gekregen. Daarmee werd de eerste fase van de herstructureringoperatie afgesloten. Nu is het de beurt aan de particuliere, niet door de overheid gesteunde ondernemingen om hun plannen voor capaciteitsreductie te presenteren. Maar tot dusver zijn er nog onvoldoende van die plannen op tafel gelegd. De 'particuliere' bedrijven vinden eigenlijk dat de door de staat gesteunde bedrijven als Ilva, CSI en Eko Stahl te weinig behoeven in te leveren.

Daardoor dreigt de hele herstructureringsoperatie te mislukken. Van Miert houdt daar in ieder geval ernstig rekening mee, en hij is ook niet erg verbaasd over die ontwikkelingen. Juist in het staaldossier blijkt de macht van de individuele lidstaten en de onmacht van de Europese Commissie, zegt Van Miert. Hij voelt zich een scheidsrechter die eerst advies moet vragen aan de speler die een overtreding heeft begaan, alvorens een gele of rode kaart te mogen trekken. “Daar komt dus niets van, dat wordt een eindeloos gepalaver.”

“Hoe gaat dat in zijn werk? Je stapt als Europees commissaris naar bijvoorbeeld de Spaanse regering en je zegt: jullie moeten dat bedrijf sluiten want het is niet rendabel. Of jullie moeten een bepaalde hoeveelheid capaciteit sluiten, willen wij in Brussel goedkeuring geven voor overheidssteun. Wat zegt zo'n minister dan? Meneer Van Miert, we zijn het daar niet mee eens. En we zien elkaar wel terug in de Europese ministerraad, want ik heb daar het vetorecht. Dus als jij niet aanvaardt, wat ik wil, dan is dat dossier gewoon geblokkeerd. Het Spaanse dossier is dus bijna een jaar geblokkeerd geweest. In Italië werd gewoon gezegd: er wordt hier helemaal geen overheidssteun gegeven. En waarom kan men zich dat veroorloven? Omdat ze verdraaid een vetorecht hebben”.

Van Miert heeft er geen moeite mee om als 'Kop van Jut' door Europa te trekken. Maar hij wil wel graag dat het hele verhaal wordt verteld, en dat de kritiek niet blijft steken bij het verwijt dat de Commissie te weinig heeft gehaald uit de onderhandelingen met de overheden in Italië, Spanje, Duitsland en Portugal. “Ik begrijp die reactie, maar ik zeg dan: wilt u zich alstublieft richten tot degenen die verantwoordelijk zijn, en niet tot degenen die hun uiterste best hebben gedaan om zoveel mogelijk te bereiken. Ik heb nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik graag veel meer had gehaald uit de onderhandelingen (met de regering in Italië, Spanje, Duitsland en Portugal) als ik maar de mogelijkheden had gehad. Maar ik kan niet zoals de Duitse regering de ene dag zeggen: het is volstrekt onvoldoende, en de andere dag de zaak blokkeren vanwege Eko Stahl. In die toestand lopen we dus rondjes.”

Vorige week nodigden Van Miert en zijn collega Bangemann (industrie) vertegenwoordigers van de Europese vereniging van staalbedrijven, Eurofer, uit voor een informeel gesprek. Daar lieten de Europese commissarissen de duidelijke waarschuwing horen dat Brussel zijn handen zal aftrekken van het herstructureringsplan, indien de staalconcerns niet alsnog met voldoende capaciteitsreduktie op de proppen komen. “Ik heb de indruk dat die boodschap goed is overgekomen”, verklaarde Bangemann vorige week.

Ook van Miert heeft die indruk. Maar dat betekent nog niet dat er concrete resultaten zijn geboekt. “Er is niets uit de bus gekomen. Men neemt nog eens een paar weken de tijd om de zaak nog eens verder te bekijken”, zegt hij gelaten. “Eurofer is natuurlijk ook in zichzelf verdeeld. Als ik met Eurofer praat, zit ik aan tafel met ILVA, met CSI, met Klöckner, maar ook met Hoogovens en met British Steel. Dat is dus een mand vol krabben. Ik zeg het altijd een beetje lachend, maar in feite is het dramatisch juist: jullie zijn het onderling over niets eens, behalve over twee zaken: desgevallen om samen een kartel te vormen en om samen op de Commissie te schieten”.

De afwachtende houding van de staalbedrijven wordt nog eens versterkt door het licht aantrekken van de staalmarkt. “Ja, dat speelt ook mee. Men hoopt dat in de tweede helft van dit jaar of in 1995 de zon weer gaat schijnen. Dus men redeneert: laten we het nog maar even uitzingen. Als er dan nog capaciteitsinkrimpingen moeten gebeuren, wat iedereen wel wil, dan maar bij de buren. Mijn inschatting is dus dat we niet veel verder zullen geraken”.

Van Miert voorziet twee ontwikkelingen. Er zullen meer bedrijven die het tot dusver op eigen houtje hebben gered, bij hun (regionale) overheden aankloppen om steun. De eerste tekenen zijn daarvan al zichtbaar, ook in andere sectoren, aldus de commissaris. Overheden mogen weliswaar niet zomaar steun geven. Maar niemand kan een regering verbieden om in Brussel aan te kloppen om toestemming te vragen, en dan begint de hele procedure weer opnieuw.

De andere ontwikkeling is dat staalondernemingen in Europa meer zullen gaan samenwerken of samengaan. Van Miert geeft daaraan de voorkeur. “Ik denk dat het goed is als men in die richting evalueert. Zoveel staalbedrijven als er op dit moment zijn, is in de huidige omstandigheden toch wel lichtjes overdreven”. Maar hij stelt wel duidelijke voorwaarden. “Fusies mogen natuurlijk niet leiden tot dominante posities in bepaalde marktsegmenten. Er moet wel een lijn worden getrokken om te voorkomen dat er toestanden ontstaan waarbij voor bepaalde produkten de markt geen rol meer speelt”.