ARRIVEDERCI, PIEHAPS

Lang geleden, toen ik nog een aankomend onderzoeker was, werkte ons biochemisch laboratorium samen met een laboratorium in Italië. De baas van dat lab, ik noem hem hier Q., was een ondernemend man en de samenwerking was dan ook van Q. uitgegaan. Zo'n samenwerking met een Noordeuropees lab in Amsterdam verhoogde de status van Q. in Italië. Het werd ook de basis voor een jaarlijks congres, dat in Italië in een aangename badplaats werd gehouden, en dat het prestige van Q. verder opkrikte.

Ik kende Q. alleen op afstand als co-auteur van een groot aantal Engelstalige artikelen, waarin de proeven van zijn talloze medewerkers werden samengevat. Ik was dan ook wat verbaasd dat mijn eerste conversatie met Q. moeizaam verliep. Op iedere vraag over zijn werk antwoordde hij na enig gepeins: 'perhaps'' (uitgesproken als pieheps). Na enige tijd bleek dit woord een belangrijk deel van zijn Engelse woordenschat te vormen. Ook met hulp van een vertaler bleef het echter moeilijk om met Q. over zijn Engelstalige biochemische artikelen te discussiëren. De taal was hij niet machtig, voor proeven en andere triviale details was hij te hoog. Hij hield zich meer bezig met management van onderzoek en onderwijs.

Q. was slim en ambitieus en hij heeft het ver gebracht in Italië. Al spoedig kon hij ons melden dat er enorme druk op hem werd uitgeoefend om rector van de universiteit te worden. Uiteraard wilde hij niet, zijn ambities lagen in het lab bij de wetenschap, maar hij wist niet of hij de loodzware druk zou weten te weerstaan. Uit inside information wisten wij inmiddels hoe Q. in een fel gevecht was gewikkeld om het begeerde rectoraat te bemachtigen, waarbij zijn netwerk van relaties - bisschop, burgemeester, notabelen - tot maximale lobby-activiteiten werd opgezweept. Q. won, wij hadden niet anders verwacht. Zo is hij al tegenstribbelend uiteindelijk nog iets hoogs in Rome geworden.

Was Q. een slechte directeur van zijn laboratorium? Ten dele wel natuurlijk. Hij gaf niet echt leiding aan onderzoek, hij was zelfs niet echt in onderzoek geïnteresseerd. Hij zette zijn naam op wetenschappelijke artikelen waarvan hij de inhoud niet voor zijn rekening kon nemen, wat geen pas heeft. Hij gaf een slecht voorbeeld en hij bezette een plaats die aan een echte onderzoeker toekwam. Hij was meer geïnteresseerd in macht en invloed dan in het oplossen van wetenschappelijke problemen of in het scheppen van voorwaarden voor anderen om goed onderzoek te doen. Hij was meer een manager van een middelgroot bedrijf dan een onderzoeker.

Toch moet ik toegeven dat hij resultaten heeft geboekt. In Italië is het niet makkelijk om geld voor onderzoek te krijgen en daarin was hij goed. Hij had ook een goede neus voor bekwame mensen en hij beperkte de kring van zijn medewerkers niet tot jaknikkers en waterdragers. Zo is er als bijprodukt van zijn jacht op roem en status toch goed wetenschappelijk werk gedaan in zijn lab. Helaas zijn het ook in de wetenschap soms de handige jongens met relaties en management-capaciteiten die het ver brengen, en dat geldt niet alleen in Italië.

Deze oude geschiedenis viel mij in toen berichten in de krant verschenen dat het Europese Moleculaire Biologie Laboratorium (EMBL) in Heidelberg in het nauw was geraakt omdat de Italianen hun bijdrage aan de financiering van dit lab hadden opgezegd. Het EMBL wordt gefinancierd door 15 Europese landen, naar rato van hun nationaal produkt. Omdat het Italië economisch niet zo slecht gaat, betaalt dit land 16% van de totale kosten van het EMBL. Daar moet profijt tegenover staan en daar wringt de schoen.

Het EMBL is een internationaal lab dat alleen de beste mensen aanneemt, ongeacht nationaliteit, en daarbij zit maar een heel klein contingent Italianen. Hoe dat komt mag iedereen raden. Uiteraard niet omdat de Italianen sinds Leonardo da Vinci plotseling hun flair voor biologisch onderzoek hebben verloren. Zelf geven de goede Italiaanse moleculair-biologen de schuld aan het archaïsche systeem voor verdeling van onderzoeksgeld en voor de bezetting van leerstoelen in hun land, vaak meer een zaak van connecties dan van competentie. Daardoor wordt talent onvoldoende gebruikt en ontwikkeld.

Ook de taal speelt een rol. Engels is de voertaal in de moleculaire biologie en kennis van Duits is wel handig als je in Heidelberg werkt. Ook in dat opzicht zijn de nazaten van professor Q. in het nadeel, omdat Italianen te weinig Engels op school krijgen en zelden gedwongen worden om Engels te spreken tijdens hun academische opleiding.

Dit is niet de eerste crisis die het EMBL moet zien te overleven. Eigenlijk is het EMBL vanaf zijn geboorte in 1977 tegen de verdrukking in gegroeid. Het model voor het EMBL was het Centre Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN) in Genève, waarin de Europese fysici samenwerkten. Het succes van CERN inspireerde de moleculair-biologen om ook een machtig Europees moleculaire-biologie lab op te zetten: zo zou Europa zich kunnen ontworstelen aan de Amerikaanse suprematie in de moleculaire biologie en ook effectiever de commerciële vruchten kunnen plukken van nieuwe biologische kennis.

De vergelijking tussen CERN en EMBL ging echter van meet af aan mank. De versnellers van de fysici waren zo duur dat de kosten voor één Europees land nauwelijks te dragen waren en dat is nog steeds zo.

Zonder Europese samenwerking was fysisch toponderzoek niet mogelijk. Moleculair biologisch onderzoek is echter veel kleinschaliger en zelfs als er dure apparatuur of gecompliceerde kennis vereist is, valt die nog best te betalen door één land.

Weliswaar zijn in het EMBL nu een paar dure faciliteiten bijeengebracht, maar een groot deel van het onderzoek is noodzakelijkerwijs kleinschalig. Dat leidt geregeld tot pittige discussies over het bestaansrecht van het EMBL en die discussies worden grimmig iedere keer als het lab meer geld wil voor onderzoek. Directeur Lennart Philipson, een Zweedse Viking die niet uitblinkt door geduld, trad in 1992 zelfs voortijdig terug omdat hij vond dat er te veel beknibbeld werd op het budget.

Bij het selecteren van een nieuwe directeur vorige winter was de relatie Italië-EMBL ook al onder nul gezakt, toen de Italianen met een furieuze lobby poogden om een Italiaanse kandidaat benoemd te krijgen. Die kandidaat was niet erg goed en daarom kansloos, maar de Italianen mochten toch niet klagen. De nieuwe directeur werd een gisse Griek, Fotis Kafatos, die weliswaar jarenlang professor in Harvard is geweest maar die de specifieke gevoeligheden en onderhandelingstactiek van de Zuideuropese landen kent als de motten en vliegen waarmee hij altijd zijn onderzoek heeft gedaan.

Kafatos heeft al een aantal plannen bedacht om de Italianen te lijmen en hij krijgt daarbij steun van de goede Italiaanse moleculair biologen, die vrezen dat hun isolatie verder zal toenemen en dat er nog minder terecht zal komen van de reorganisatie van het slecht functionerende Italiaanse onderzoeksysteem, dat uiteindelijk verantwoordelijk is voor de geringe concurrentiekracht van Italië in de moleculaire biologie.

Ik hoop wel dat het EMBL deze aanslag overleeft. Europa heeft niet zoveel biologische laboratoria die het op kunnen nemen tegen de Amerikaanse top, en het EMBL is één van de sterkste. Het heeft een voorbeeldfunctie die in Europa onmisbaar is. Het is één van de weinige plaatsen in Europa waar jonge, scherp geselecteerde onderzoekers de kans krijgen om hun eigen onderzoeksgroep op te zetten en zich volledig op onderzoek te concentreren. Na 5 tot 9 jaar moeten ze elders onder dak zien te komen en die doorstroming voorkomt verstarring van het onderzoek en voorziet de Europese landen van goed opgeleid topkader. Ook Italië heeft daarvan geprofiteerd.

Het EMBL is een uitstekend georganiseerd lab en er is voldoende geld, dat helpt ook. Het kwartet selectie, doorstroming, onderzoeksgerichte organisatie en voldoende geld is de basis voor het succes van de Amerikaanse topinstituten die de toon aangeven in het medisch-biologisch onderzoek. Het is goed dat er in Europa ook een plaats is waar goede onderzoekers kunnen zien hoe het eigenlijk moet, het opzetten van een lab, als je niet gehinderd wordt door hiërarchie, bureaucratie en geldgebrek.

Die bureaucratie ontbreekt in het EMBL. Het lab wordt geleid door een wetenschappelijk directeur met grote bevoegdheden, maar aan de leiband gehouden door een machtige wetenschappelijke adviesraad waarin een selectie van Europese onderzoekers bijeen is gebracht, gelardeerd met een enkele Amerikaanse Nobelprijswinnaar. Die raad beslist over iedere aanstelling van onderzoekers in het laboratorium en let op dat er niet tegen Italianen wordt gediscrimineerd. Ik spreek uit ervaring. Er zit trouwens altijd tenminste één Italiaan in die raad en die roert zich heus wel als daar aanleiding voor is.

Ook voor Nederlandse onderzoekers is het EMBL vaak een bron van inspiratie in barre tijden. Toen ik mijn lab nog in de universiteit had en wij als onderzoekers vermalen werden tussen wetenschappelijke nivellering en bureaucratische regels, was een bezoek aan het EMBL altijd een opfrisser. Zo kon het dus ook en aan dat EMBL-ideaal hebben veel onderzoekers zich opgetrokken. Het zou daarom wel treurig zijn als dit Europese boegbeeld onder water zou verdwijnen, net nu het iets begint te worden met de Europese integratie.

Nog erger zou het zijn als de Europese bureaucraten hun zin zouden krijgen en het eigenzinnige EMBL een quota-systeem zou worden opgedrongen met de bijbehorende omvangrijke ambtelijke staf. Die staf zou uiteraard nodig zijn om te controleren of in elke personeelscategorie, van projectleiders tot kantinepersoneel, wel een proportionele vertegenwoordiging van alle Europese landen is doorgevoerd, en of wel alle missives van de directeur in alle talen vertaald worden.

De wijze waarop nu vanuit Brussel onderzoeksprogramma's worden opgezet, stemt mij niet vrolijk. Continuïteit en consistentie in het onderzoeksbeleid ontbreken; bureaucratie en politiek bepalen de thema's en de procedures; en de invloed van capabele onderzoekers is gering. Ik kijk niet reikhalzend uit naar een Europa waarin de Brusselse ambtenaren het geld voor fundamenteel onderzoek mogen verdelen. Als zo'n systeem de norm wordt voor Europa, belanden de Italianen van de regen in de drup en raakt de Europese wetenschapsbeoefening in de versukkeling.