Pet en muts

Een onderwijskracht - ik heb niet op rang of geslacht gelet - vertelde dat de jongens op school lastiger worden als ze een petje opzetten. Maar eerst dit woord: onderwijskracht. Toevallig is onlangs het verzameld werk van Theo Thijssen verschenen. Hij heeft veel geschreven over het leven op school, onder de schrijvers hoort hij met Bordewijk tot de beste kenners en de scherpste waarnemers. Ik heb nu geen tijd om het na te gaan maar ik veronderstel dat in hun boeken niet één keer het woord onderwijskracht voorkomt, laat staan onderwijskracht m/v. Heel vroeger had je juffrouwen, meesters en bovenmeesters. Daarna werd het onderwijzers, onderwijzeressen, hoofd van de school, leraar enz. De onderwijskrachten zijn ontstaan uit de behoefte om ieders waardigheid te sparen en dat doel wordt bereikt door allen de gelijke waardigheid te geven. Dus: onderwijskracht m/v. Op die manier is de gelijkheid bereikt en daarmee de volstrekte ontmenselijking. Bij bovenmeester zie je de drager van die titel voor je; bij onderwijskracht staakt de verbeeldingskracht.

Jongens die een petje opzetten worden lastiger. Het gaat om het baseballpetje dat ze met de klep in de nek dragen. Ik verbaas me erover dat iemand daarover verrast kan zijn. Een baseballpet met de klep naar voren heeft op de meeste dragers al geen kalmerende uitwerking en andersom moet het dus wel alle verzetshormonen activeren, zeker bij jongens tussen de dertien en de zestien. Wie al ouder is, zo'n pet heeft of kinderen die er een hebben, zou bijvoorbeeld in de huiskamer of de badkamer zelf eens de proef moeten nemen. Tien tegen één dat er even een gevoel ontwaakt van 'dat pik ik niet''. Er zijn nu dus scholen waar het petje verboden is en andere die de jongens verplichten het te dragen 'zoals het hoort'', waarin de verwachting ligt besloten dat ze zich voor de rest ook zullen gedragen zoals het hoort.

Hoofddeksels in het algemeen dienen niet alleen om het hoofd warm te houden; ze geven ook aan wat de drager in de samenleving betekent. Dat is bekend. De pet van de agent, de hoed van de gangster, de begrafenisdienaar, de muts van de visser, de clown. Maar er is een extra functie. Meer dan andere kledingstukken deelt het hoofddeksel aan de drager mee hoe hij zich moet voelen. De agent die in 1965 bij de rellen op de Prinsengracht door een provo de pet werd afgenomen, was daarmee plotseling van een agent in een radeloze man veranderd. Er zijn foto's waarop we hem in meelijwekkende verwildering zien, op jacht naar de jongen die er met het bewijs van zijn gezag en waardigheid vandoor is. Op Schiphol zie je weleens een vakantieganger op weg naar het Zuiden die een strohoed met een brede rand heeft opgezet. Die man wordt doorstroomd van het gevoel dat hij pas aan de Costa Brava bevestigd zal krijgen, maar dit is voldoende om zich te gedragen alsof hij er al was. Het hoofddeksel verleent de drager de status van zijn verlangen, hij wordt meer degene die hij wil zijn: joliger, losbandiger, deftiger, vervaarlijker. Althans, dat denkt hij. De buitenwereld denkt er vaak anders over.

Daarom heb ik altijd een wantrouwen tegen dragers van hoofddeksels gehad, tot een jaar of vier geleden. Toen zag ik in een warenhuis in Riga een bontmuts. Eerst werd mijn aandacht afgeleid door een man die twintig flesjes eau de cologne kocht. 'Waarom zoveel'', vroeg ik mijn begeleider. 'Om op te drinken natuurlijk'', zei hij. Ik vond het opzienbarend maar niet sensationeel genoeg om de bontmuts te vergeten. Ik betrapte me erop dat ik hem wilde hebben, kocht het ding, leerde het met de goede kant naar voren opzetten en zei: 'Denk je dat ik er nu uitzie als een Rus?'' Hij schoot in de lach. 'Nee, nu niet, en nooit.'' Ik verborg mijn teleurstelling en nam die prachtige muts mee naar Nederland. Hier wilde het maar niet gaan vriezen en die voorraad bont was berekend op temperaturen van min tien en erger.

Nu, de afgelopen dagen was het eindelijk zo ver. Gedekt door de muts liep ik op straat en vrijwel meteen kwam er iets vervaarlijks over me, inwendig tenminste. Het werd nog erger toen ik me in een spiegelruit zag, en opeens moest ik denken aan de jongens met de baseballpetjes; aan dat zeldzame geluksgevoel van snel toenemende maar nog onbeproefde dapperheid. Toch voelde ik me - hoe zal ik het zeggen - niet onzeker maar op een niet aangename manier ongewoon. Ik raadpleegde iemand van wie ik zeker weet dat hij ook een bontmuts heeft, want hij heeft in Moskou gewoond. 'Hoe voel je je als je die muts op hebt?'', vroeg ik. 'Waar?'' 'Hier.'' 'Belachelijk.'' 'En in Moskou?'' 'Gewoon.''

Dat is het geheim. Met een mannenhoofddeksel is pas in orde als het dragen ervan door wat voor omstandigheden dan ook onontkoombaar is geworden.

Bij onze kwakkelwinters hoort hoogstens een, ja, lullig mutsje.

Ik vond het jammer van mijn gevoel van vervaarlijkheid, ik kon er nog geen afscheid van nemen.

'Kijk, een bontmuts met een meneertje eronder'', zei toen een klein meisje, en dat was de genadeslag.