In Indonesië wordt een langdurig taboe doorbroken: Kritiek op Soeharto moet kunnen

JAKARTA, 19 FEBR. Gepensioneerd luitenant-generaal der marine en voormalig gouverneur van Jakarta Ali Sadikin (66) heeft deze week een taboe doorbroken. In een rechtszaal in de Indonesische hoofdstad bracht hij bondig onder woorden wat geen enkele bekende Indonesiër de laatste twintig jaar openlijk durfde zeggen: dat generaal b.d. Haj Muhammad Soeharto niet boven kritiek verheven is. “Beklaagde heeft het recht om de president van de republiek ter verantwoording te roepen voor welke gebeurtenis dan ook en de grondwet van 1945 garandeert dat recht”, zei hij. Een gedenkwaardige uitspraak die de volgende morgen dan ook over vier kolommen werd uitgespeld op de voorpagina van de Jakarta Post.

Sadikin trad op als getuige-deskundige in het proces tegen de student Nuku Soleiman (3O), een activist voor de rechten van de mens die in november werd opgepakt tijdens een demonstratie voor het parlementsgebouw in Jakarta. Daar verspreidde hij stickers met de tekst: 'Soeharto - dalang achter alle rampen'. Onder die slagzin volgt een opsomming van de plaatsen waar leger en politie de afgelopen tien jaar bloedig optraden: Tanjung Priok (1984), Lampung (1989), Atjeh (1990-1992), Dili (1991), Majalengka en Madura (1993). De dalang is de poppenspeler van het Javaanse wajangtheater. Alle 21 betogers werden ingerekend, maar Soleiman werd het hardst aangepakt.

Nuku is voorzitter van de Pijar Stichting, een actiecentrum in Jakarta waar studenten elkaar treffen om te discussiëren over de politiek en om demonstraties op touw te zetten voor democratisering en tegen schendingen van de mensenrechten. Pijar is Indonesisch voor 'gloeiend heet'. Nuku was aanvankelijk niet bereid om voor held te spelen. Nadat hij was opgepakt, beweerde hij dat hij de stickers van iemand anders had gekregen en niets van doen had met de produktie en verspreiding. Toen hij alsnog werd aangeklaagd wegens belediging van het staatshoofd, kwam er geleidelijk verandering in zijn houding. Zijn advocaten, medewerkers van het Instituut voor Rechtshulp (LBH), besloten in overleg met de beklaagde om niet de feiten te ontkennen maar de aanval te openen op de wet waarop de officier van justitie zich beroept. Die zou een ongrondwettige inbreuk vormen op de vrijheid van meningsuiting.

De pleiters hadden liefst zeventien prominente juristen, taalwetenschappers en politici bereid gevonden op te treden als getuigen voor de verdediging. Op hun lijst stonden onder meer een parlementslid en een generaal van de landmacht. De advocaten hadden de identiteit van hun getuigen verborgen gehouden voor de president van de rechtbank, mevrouw Nurhayati. Toen zij deze week de eerste getuige opriep, kwam tot haar zichtbare schrik de dissident Ali Sadikin naar voren, in 1980 één der ondertekenaars van Petitie 50, een schriftelijke aanval op Soeharto's leiderschap.

Na enig tegensputteren - de getuige zou geen deskundige zijn, want hij had “geen academische titel” - gaf de president hem kort het woord. Sadikin wond er geen doekjes om: “Mensen in leidende posities moeten tegen kritiek kunnen. Destijds maakte men mij uit voor de Zondige Gouverneur; heb ik daar ooit tegen geprocedeerd? Natuurlijk niet!” Nuku's sympathisanten op de achterste rijen - de voorste zijn steeds bezet met lieden die ambtshalve de officier aanmoedigen - applaudisseerden luid.

Daarop ontaardde het proces in een vertoning. De president bleef Sadikin in de rede vallen, ontnam hem uiteindelijk het woord en sloot vervolgens de andere zeventien getuigen uit van het proces, met de opmerking dat wat zij te zeggen hadden niet relevant was. “Deze rechtbank”, aldus Sitompol, één van de drie rechters, “heeft verder geen behoefte aan deskundigen, want alles wat verband houdt met deze zaak weten we al.” Daarop verlieten de verdedigers uit protest de rechtszaal. Nuku liep hen achterna, maar werd tegengehouden. Sindsdien heeft hij er het zwijgen toegedaan.

De advocaten gingen in beroep bij de Hoge Raad en hangende die uitspraak wensten zij een schorsing. President Nurhayati hervatte het proces echter donderdag, zonder de advocaten en met een zwijgende beklaagde. De officier achtte bewezen dat Nuku “zich beledigend heeft gedragen jegens de president, een gerespecteerd internationaal staatsman, voorzitter van de Beweging van Niet-gebonden Landen en winnaar van menige internationale prijs”. Hij eiste de maximale straf: zes jaar gevangenis.

In de zaak-Nuku Soleiman blijft onduidelijk of de president zelf de procureur-generaal heeft geïnstrueerd om zijn criticus een oorvijg uit te delen of dat Soeharto-loyalisten binnen de militaire en justitiële top op eigen gezag hebben besloten deze zaak aan te spannen om bij hun baas in het gevlei te komen. In een tweede affaire, die belooft nog spectaculairder te worden, staat onomstotelijk vast dat het gekwetste staatshoofd de bal zelf aan het rollen heeft gebracht.

Op 23 januari onthaalde Soeharto op zijn boerderij in het Westjavaanse Tapos een delegatie van legerofficieren. De president pleegt groepen hoge ambtenaren, militairen of zakenlui uit te nodigen op zijn 475 hectare grote landgoed als hij deze beslissers wil doordringen van de juiste zienswijze. “Mijne heren”, moet Soeharto daar gezegd hebben, “u kunt met eigen ogen zien dat ik hier slechts een eenvoudige woning heb en geen villa met zwembad, zoals nog onlangs is beweerd door een criticus, die over mij een lasterlijk boek heeft geschreven.”

Deze uitlating stond de volgende morgen in twee dagbladen. Diezelfde maandag deelde procureur-generaal Singgih aan de pers mee dat hij besloten had het boek Primadosa (Doodzonde) van ene Liotohe te verbieden. Tot dat moment wist alleen een kleine groep ingewijden van het bestaan van dit boek af; het formele verbod bezorgde de auteur en zijn werk echter landelijke publiciteit.

Wimanjaya K. Liotohe (60) is afkomstig van Sangir, een eilandje tussen Noord-Sulawesi en de Filippijnen, maar woont al dertig jaar in Jakarta. Hij is leraar Engels, vertaler van inmiddels achthonderd boeken en evangelist. Wimanjaya heeft in zijn leven nogal wat tegenslag gehad. Gedurende de laatste twintig jaar verloor hij vijfmaal zijn huis en grond aan corrupte overheidsdienaren en particuliere speculanten. Drie jaar geleden ging hij in de politiek; hij werd medewerker welzijnszaken van het wetenschappelijk bureau van de Democratische Partij van Indonesië (PDI), een gekortwiekte oppositiepartij. Vorig jaar besloot hij een 'zwartboek Soeharto' aan te leggen, een bundel van voor de president belastende documenten en getuigenissen, en op grond daarvan een civiele procedure aan te spannen tegen het staatshoofd wegens hem, de samensteller en eiser, aangedaan leed.

Het boek, een typisch samizdat-produkt, is een gelijmde bundeling van vele honderden fotokopieën. De oplage bedroeg aanvankelijk enkele honderden exemplaren, maar sindsdien zijn daar duizenden bijgekomen. De door Wimanjaya geschreven tekst bestaat uit 25 hoofdstukken, waarin hij Soeharto onder meer aanspreekt op zijn rol bij de mislukte staatsgreep van 1965. De auteur draagt geen nieuw materiaal aan, maar geeft een vrij volledig overzicht van al eerder bekende documenten. Die suggereren dat de voormalige generaal-majoor Soeharto van tevoren op de hoogte moet zijn geweest van de plannen voor de putsch, die voor hem uiteindelijk de weg effende naar het presidentschap.

Voordat Wimanjaya zijn zaak tegen de president kon aanspannen, kreeg de officier van justitie van de inlichtingendienst een exemplaar toegespeeld. In december werd hij driemaal verhoord, de derde keer met verontschuldigingen. Het werkstuk werd als een hete aardappel doorgeschoven van de officier naar een kopstuk van regeringspartij Golkar, die het overhandigde aan admiraal b.d. Sudomo, een voormalig hoofd van de veiligheidsdienst en een vertrouweling van Soeharto. Die laatste gaf het aan de president.

Wimanjaya's eis zou waarschijnlijk niet ontvankelijk zijn verklaard en de zaak zou met een sisser zijn afgelopen, als de hoofdpersoon van het boek niet zelf aan de bel had getrokken en zo een verbod had afgedwongen. Nu Wimanjaya op zijn beurt heeft besloten hiertegen in beroep te gaan, heeft de pers van hem al een bekende Indonesiër gemaakt.

Via mensenrechtenadvocaat Jan 'Poncke' Princen, die voorlopig optreedt als raadsman van Wimanjaya, kreeg de schrijver onlangs een uitnodiging voor een onderhoud met generaal-majoor Hendropriyono, de militaire commandant van Jakarta. Tijdens dat gesprek, dat zeer vriendschappelijk verliep, was de commandant omringd door een twaalftal stafofficieren, die vragen stelden en aantekeningen maakten. De heren wilden kennelijk weten of Wimanjaya wel goed bij zijn hoofd was. Toen ze zich daarvan hadden overtuigd, gaf de generaal Wimanjaya de garantie dat hem “niets onregelmatigs zou overkomen”. Princen en hij keerden huiswaarts met een fles alcoholvrije wijn.

De golf van publiciteit rond de zaken Nuku en Wimanjaya laat zien dat de laatste maanden in Indonesië een taboe is doorbroken: openlijke kritiek op de president wordt weliswaar bestraft met gerechtelijke stappen, maar diezelfde kritiek kan breed worden uitgemeten in de media en daarmee zijn schadelijke werk doen voor het aanzien van Soeharto. Kranten en tijdschriften die de gewraakte aantijgingen citeren, worden niet langer bedreigd met sluiting. En de man die het waagde een zwartboek aan te leggen tegen Soeharto geniet inmiddels de bescherming van een populaire generaal.

De tijd dat Soeharto's Nieuwe Orde berustte op een homogene coalitie van militairen, techno- en bureaucraten is voorbij; die drieëenheid vertoont scheurtjes. De president en zijn familie hebben niet alleen vijanden gemaakt onder activisten voor de rechten van de mens. De generale staf mag dan bestaan uit Soeharto-loyalisten, binnen de strijdkrachten beschouwt men kritiek op het staatshoofd kennelijk niet als staatsgevaarlijk.