Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Religie

Bouwgeschiedenis van een IJsselstad

Chr. J. Kolman: Naer de eisch van 't werck. De organisatie van het bouwen te Kampen 1450-1650 435 blz., geïll., Matrijs 1993, ƒ 49,45

Van de stad Kampen bestaat een prachtige plattegrond in vogelvluchtperspectief uit 1598 van de kaartmaker Paul Utenwael. Men ziet er een complete stad, ordelijk van aanleg en veilig omgeven door muren en versterkte poorten met daarbuiten grazige weiden aan de ene en een goed bevaarbare rivier aan de andere kant. Menig historicus gebruikt deze en soortgelijke kaarten als betrouwbare bronnen zonder te beseffen dat ze voor een heel ander doel gemaakt kunnen zijn. De kaart van Kampen blijkt volgens Chr. J. Kolman in zijn proefschrift een reclameprent te zijn geweest om een verbond van Engelse kooplieden, de Merchant Adventurers, naar de stad te lokken. De idyllisch afgebeelde stad verkeerde juist toen in een deplorabele staat van verval met overal leegstand en verkrotting, het gevolg van de ondergang van de handel in het Hanzeverbond.

Kolmans proefschrift is het toonbeeld van nauwgezette wetenschappelijke arbeid. Zijn boek is geen beschrijving van de stedelijke architectuur, zelfs niet van de ambachten of bouwtechnieken, maar van de organisatie van de bouwwereld. Het gaat dus vooral over bouwrecht, gilden en stedelijke verordeningen. In de marge van zijn systematisch opgezette werk, waarin allerlei organisatievormen in de laat-middeleeuwse bouwpraktijk de revue passeren, heeft de auteur een geweldige berg nieuw feitenmateriaal uit de archieven opgediept.

Er is in Kampen veel gezeur geweest over rechten op gemeenschappelijke bouwmuren, over trivialiteiten als hemelwaterafvoer, erfafscheidingen en rooilijnen. Er wordt melding gemaakt van talrijke burenruzies die soms in handgemeen zijn ontaard. De prachtige Schepenzaal in het raadhuis van Kampen, een verheven voorbeeld van renaissancekunst in Nederland, is niet tot stand gekomen zonder een ordinaire vechtpartij tussen de kunstenaars onderling in de stadswijnkelder. De ontwerper van de beroemde schouw in die zaal, Colijn de Nole en glazenmaker Herman hadden op zekere dag in 1543 de vakbekwaamheid van de ontwerper van de wandbetimmeringen en de banken, meester Vrerick, in twijfel getrokken. Dat liet deze natuurlijk niet op zich zitten en er vielen klappen.

Gilden

Het middeleeuwse bouwrecht van Kampen is in zekere zin de weerslag van het groeiproces van het stadslichaam. De inwoners van de stad werden op de hoogte gehouden van de stedelijke verordeningen door middel van de 'kerkensprake', de afkondigingen in de kerken, direct na de misviering. Verordeningen werden ook van het Raadhuisbalkon afgeroepen en op bepaalde plaatsen opgehangen. Toen Kampen eenmaal was volgebouwd in de zeventiende eeuw, groeide de codificatie ook niet meer. Er bestond geen behoefte meer aan nieuw recht en daarom kon dit middeleeuwse bouwrecht in Kampen tot aan de negentiende eeuw in gebruik blijven. De hoofdrol in Kolmans studie speelt het keurboek (wetboek) van de jurist Herman Croeser uit omstreeks 1567. Croeser compileerde hierin oude rechtsregels en het middeleeuwse gewoonterecht en het is dus een waardevolle bron voor de interpretatie van dat oudere recht.

Het middeleeuwse bouwwezen was georganiseerd in gilden, een soort publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. Hun belangrijkste maatschappelijke functie was de bescherming van de arbeidsmarkt. Het werkaanbod binnen de stad werd in feite door de gilden verdeeld. Zo kon de concurrentie buiten de deur worden gehouden. Wie lid van het timmerliedengilde wilde worden, moest het burgerschap bezitten, de meesterproef afleggen, in het bezit zijn van een wapenrusting voor de verdediging van de stad en een schenking doen. Dit laatste werd in 1483 bepaald op zes pond was voor de kaarsen op het gildealtaar in de kerk. Het was verre van eenvoudig, 'het gilde te winnen', zoals de toetreding werd genoemd. De stedelijke overheid werd geacht de gildedwang - het afdwingen van gilderegels - uit te voeren en daarin schuilt het publiekrechtelijke karakter van de gilden.

De verschillende ambachten werden ook tegen elkaar beschermd. Zo werd een zekere beeldhouwer Jelis in 1557 door de Raad van Kampen beboet omdat hij ook steenhouwerswerk ('groff arbeit') had uitgevoerd. Een beeldensnijder mocht als lid van het in 1525 gestichte St. Lucasgilde alleen 'subtyl werck' aannemen, dat wil zeggen beeldhouwwerk. Ook de omvang van de bedrijven werd beperkt gehouden om ongewenste concurrentie te vermijden. De gildebrief van het timmerliedengilde uit 1483 bepaalde dat een meester hoogstens twee knechten en een leerjongen mocht hebben. De baas van een ambachtsbedrijf, de meester, kon bij groeiende vraag naar werk knechten aantrekken die 'onder zijn scherm' werkten. De knecht werkte dan geheel zelfstandig, maar moest een gedeelte van zijn dagloon aan de meester afdragen. Hier kwamen dan weer allerlei juridische kwesties uit voort waarvan Kolman geprofiteerd heeft.

Cieraet

Het stadsbestuur was een zeer belangrijke opdrachtgever voor de bouwnijverheid, niet alleen voor de bouw en het onderhoud van de verdedigingswerken, maar ook voor het raadhuis, de stadsherberg, de waag, het tolhuis, het zegelhuis en het vleeshuis. Daarnaast had de stad ook financiële verplichtingen voor het onderhoud van de parochiekerken, de gasthuiskerken en de kloosterkerken. Toen de gereformeerden na de revolutie van 1580 alle kloostergoederen in beslag hadden genomen, werden die verplichtingen alleen maar groter. Er stonden natuurlijk wel weer inkomsten uit die geseculariseerde goederen tegenover. De gereformeerden die in 1580 de macht hadden overgenomen, lieten de organisatie van de gilden in essentie ongemoeid, ook al moesten de gildebroeders hun altaren uit de kerk verwijderen, hun processies staken en hun feesten matigen. Feesten en partijen lijken er sindsdien minder ongedwongen te zijn.

Interessant is het beeld dat Kolman schetst van wat de overheid allemaal deed voor de architectonische welstand van de stad. Aan het einde van de zestiende eeuw, toen de stad in verval was geraakt, begon het stadsbestuur op te treden en eigenaars van vervallen huizen te sommeren herstellingen te laten verrichten, 'tot cieraet deser stadt' zoals er vaak bij werd vermeld. Ook aan oude gebouwen besteedde het stadsbestuur de nodige aandacht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het in 1567 genomen besluit de ernstig vervallen Zwanenpoort te herstellen, omdat die 'een cyraet van olde antiquiteit' was. Het fenomeen monumentenzorg is dus ouder dan de negentiende eeuw.

Het boek van Kolman is een studie over de geschiedenis van het bouwrecht en dat is niet voor iedereen meeslepende lectuur. Hij belicht de geschiedenis van het bouwwezen uit interesse voor de historische architectuur. Hij is geen sociaal-economisch historicus die toevallig in het bouwwezen verzeild is geraakt. Dat kenmerkt het boek. De waarde ervan ligt vooral in de vele nieuwe architectuurhistorische gegevens die hij uit die rechtsbronnen heeft kunnen putten. Zo was het, denk ik, niet bekend dat de genoemde schouw van Colijn de Nole uit 1545 in zijn Utrechtse atelier werd gemaakt en in onderdelen per schip naar Kampen overgebracht. Omstreeka 1480 werden de houten kapconstructies voor de Broederkerk en de Brigittenkerk in Zutphen en Doesburg gemaakt en eveneens per schip naar Kampen vervoerd. Een nogal omslachtige aanpak voor een stad die beroemd was om zijn houthandel.

Wel bekend was dat bouwmeesters zich door het werk van anderen lieten inspireren. Kolman geeft hiervan erg aardige voorbeelden, zoals de reis die meester kistenmaker Zweer in 1546 naar Haarlem maakte om het houten gewelf in de St. Bavo 'toe besichtigen' ter voorbereiding van zijn werk aan het houten gewelf in de Schepenzaal. Een ander voorbeeld is de reis die de stadstimmerman Floris Eickenholt in 1563 naar Amsterdam en Brabant maakte om sluizen en watermolens te bezichtigen 'uuth bevell des ersamen Reatz'. Een dienstreis dus. Deze gegevens komen uit het levendigste deel van Kolmans boek, waarin hij de stadsambachtsmeesters in 34 korte biografieën behandelt. De eerste stadsmetselaar of -steenhouwer was Henrick van Santen (Xanten) die in 1436 een contract met de stad sloot. Hij moest op afroep beschikbaar zijn en ontving een dagloon en geld voor kleding. Voor huisvesting werd gezorgd en hij werd vrijgesteld van heervaart (militaire dienstplicht) en stedelijke belastingen. Omdat hij semi-ambtenaar was, moest hij bij gelegenheid wel bodediensten en arrestaties verrichten. Een gevarieerd beroep dus.