Voor 70.000 kosmopolieten; Antonin Liehms culturele krant voor heel Europa

“Een kamer, een fax, een telefoon, een computer, een part-time redacteur, een part-time secretaresse, en dan misschien nog een corrector.” Dat is volgens de Tsjechische journalist Antonin Liehm het enige wat nodig is om een tijdschrift te maken. Hij is de man achter Lettre Internationale, dat in tien jaar tijd is uitgegroeid tot een van de belangrijkste culturele tijdschriften van Europa, met edities in elf Europese landen. Vorige maand was plotseling het geld op.

Abonnementen op de Duitse editie (een Franse is er voorlopig niet) kunnen worden besteld via telefoonnummer 00-49.30.30870451. Adres: Rosenthalerstrasse 13, D-10119 Berlin. Daar kan ook informatie worden verkregen over de andere edities.

“Beste Antonin Liehm, wilt u alstublieft uw beslissing heroverwegen om géén Engelstalige Lettre Internationale te maken? Zeker, de Engelsen en Amerikanen hebben samen al verschrikkelijk veel literaire tijdschriften, maar dat mag toch geen reden zijn alle lezers van die taal al bijna tien jaar uw prachtblad te onthouden?” In de rubriek 'Literaire tijdschriften' van deze krant deed Margot Engelen twee weken geleden een klemmend beroep op de bedenker en eigenaar van Europa's grootste culturele tijdschrift Lettre Internationale. Ze wilde ook de Engelsen kennis laten maken met het tijdschrift dat zoveel bekende schrijvers en beeldend kunstenaars aan zich heeft weten te binden.

Het is op zichzelf geen vreemde gedachte. Sinds de oprichting in 1984 heeft het van oorsprong Franse blad edities gekregen in Polen, Bulgarije, Kroatië, Duitsland, Hongarije, Italië, Roemenië, Tsjechië, Spanje, Servië en Rusland, en overal voorzien deze in een behoefte. In Duitsland wordt een verkochte oplage van 15.000 gehaald, in alle andere landen ligt de verkoop rond de 5.000 exemplaren.

Wil Engeland echt deel uit maken van Europa, zo dacht Margot Engelen waarschijnlijk, dan moet men daar kunnen volgen wat er op het vasteland wordt gemaakt. Dan moet men ook daar een blad kunnen lezen met bijdragen van Juan Goytisolo en Peter Schneider, Dubravka Ugresic en Czeslaw Milosz, Joseph Brodsky en Adam Michnik, Susan Sontag en Edward Said, Jacques Derrida en Duoduo. In elke aflevering staan lange artikelen van hun hand die niet zelden een nieuw licht werpen op de actuele thema's in de oude wereld. Zo beschreef de Pool Michnik onlangs de invloeden die een taal ondergaat van een lange dictatuur. In de Duitse editie werd een discussie begonnen over het stadshart van Berlijn, er werd veel aandacht besteed aan de oorlog in het vroegere Joegoslavië, er werd een themanummer gemaakt over de Middellandse Zee.

Kenmerkend voor Lettre Internationale is dat fictie, non-fictie, poëzie en beeldende kunst door elkaar heen staan. Dat gebeurt niet - zoals andere bladen - vanwege de afwisseling, maar omdat deze drie genres in hun combinatie meer duidelijk kunnen maken dan ieder genre afzonderlijk. Bij de essays over Joegoslavië stonden de foto's van de blinde Sloveense fotograaf Evgen Bavcar. En in het themanummer over de toekomst van het lezen stonden prenten en schilderijen van lezenden.

De brief van Margot Engelen heeft de 69-jarige Antonin Liehm nog niet bereikt. Als ik hem deze week in zijn kantoortje in het zuiden van Parijs de inhoud vertel, heft hij wanhopig zijn handen op. “Een Engelse editie, of een Nederlandse? Dat moet je niet aan mij vragen, dat moeten jullie doen. Het enige wat ik kan doen, is helpen. Je mag voor niets de naam gebruiken, de formule van het blad, en de stukken. Dat is mijn inbreng. Maar de organisatie en het vinden van een uitgever dat moeten anderen doen.” Zo is het volgens Liehm ook met de andere edities gegaan. Het initiatief moet ter plaatse worden genomen.

Ik vraag hem wat er nodig is om een blad als Lettre te maken? “Een kamer, een fax, een telefoon, een computer, een part-time redacteur, een part-time secretaresse, en dan misschien nog een corrector. Wie een eigen editie wil beginnen kan van mij een grote stapel oude Lettres krijgen waaruit hij onbeperkt artikelen kan overnemen. En dan bestaat het. Je hebt voor vier of vijf nummers genoeg kopij en dan komt er vanzelf meer.”

Het is duidelijk dat Liehm nu even niet aan nog weer andere edities wil denken. Hij heeft meer zorgen aan zijn hoofd. De Franse editie van zijn tijdschrift, de editie waarmee alles tien jaar geleden is begonnen, is stilgelegd. “Ik kwam de afgelopen zomer net terug van het feest voor de nieuwe Poolse editie, toen ik hoorde dat de Franse editie gestopt moest worden.” Een half jaar lang heeft hij dit slechte nieuws voor zich gehouden, in de hoop een oplossing te vinden voor de financiële problemen, maar toen kon hij de ramp niet langer verbergen. Het begon op te vallen dat er al sinds de zomer geen nieuw nummer was verschenen.

Schurk

De oorzaak van het debâcle, dat al in verschillende landen de pennen in beweging bracht, en dat in Frankrijk tot de oprichting van een steuncomité leidde, is dat uitgever Philippe Garnier geen geld meer heeft. Liehm heeft de produktie en distributie van het blad in handen gegeven van Les Editions Dursus en die hebben er volgens Liehm een chaos van gemaakt. De Franse minister van Cultuur en Francofonie had vorig jaar voldoende subsidie gegeven om de bescheiden verliezen die het blad maakt te kunnen dekken, maar dat geld is volgens Liehm gebruikt om eerdere verliezen van de uitgever weg te werken. Hij wil er verder niet veel over zeggen. Hij noemt de uitgever een paar keer een 'schurk'. De zaak ligt nu bij de rechter, die moet uitmaken wie de schuldige is.

Maar intussen ligt het blad stil. Er worden door de onzekere toekomst geen nieuwe stukken aangeworven, er worden geen teksten meer gelezen en geredigeerd en de enorme goodwill die is opgebouwd, verloopt. “Ik heb hier in tien jaar tijd een structuur gecreëerd die werkt. Als die verloren gaat kost het miljoenen francs om het blad opnieuw te beginnen.” Liehm gaat nog steeds elke dag naar het kantoorje waar zijn spullen tijdelijk zijn ondergebracht, maar de verhuisdozen tegen de muren pakt hij niet uit. “Ik weet niet wat er gaat gebeuren.” Het mooie bureau waar we aan zitten is slechts geleend. Als ik mijn koffiekopje wil neerzetten, legt hij er, uit angst voor vlekken, gauw een blaadje papier onder.

Liehm doet het niets doen geen goed. De hele dag door wordt hij door vrienden opgebeld. “Ik heb nog geld om deze ruimte tot het eind van het jaar te kunnen betalen. Als er dan geen oplossing is, gaat alles dicht.”

Voor de meeste van in totaal 70.000 lezers die het blad in zijn verschillende edities heeft, zou dat een groot verlies zijn. Lettre Internationale is op de tijdschriftenmarkt uniek. Het blad is niet een echt literair tijdschrift, daarvoor is het te groot en te omvangrijk. Het blad heeft het formaat van The New York Review of Books, maar dan op zwaarder papier, met nietjes. En het staat stampvol tekst. In elk nummer zijn, zoals Liehm het uitdrukt, 450 kantjes kopij opgenomen die in kleine lettertjes wordt afgedrukt. Daardoor is het ook geen magazine of krant in de moderne zin van het woord. Lettre verschijnt slechts vier keer per jaar en gaat zelden rechtstreeks in op de actualiteit.

De formule van Lettre Internationale sluit nog het meest aan bij de Middeneuropese traditie van bladen maken waarin Liehm is gevormd. Antonin J.Liehm werd in 1924 in Praag geboren, waar hij na de oorlog het blad Kulturni politika oprichtte. “Ik werk al bijna vijftig jaar in de journalistiek,” laat hij zich ontvallen. Na vier jaar werd zijn krant door de Tsjechische regering verboden, maar in 1960 kreeg hij een nieuwe kans, nu bij het bekende Literarny Noviny dat een leidende rol zou gaan spelen in de Praagse lente. In 1968 vluchtte hij, als zoveel anderen, naar Parijs.

In Lettre Internationale dat hij zelf het liefst als 'de krant' aanduidt, cultiveert Liehm de 'publicistiek'. Liehm vermoedt dat zijn blad op dit moment nog het enige medium is dat niet terugschrikt voor lange essays. “Kranten en tijdschriften zeggen nu bij voorbaat dat een stuk niet langer mag zijn dan vijf of zes kantjes. Wij doen precies het omgekeerde. Zolang de auteur kan aantonen dat de lengte van zijn stuk noodzakelijk is, is het nooit te lang.” Eén keer heeft Liehm zelfs, toen hij vond dat dit moest, een stuk van 130 kantjes opgenomen.

Als tegenprestatie voor zijn ruimhartige opnamebeleid, verlangt Liehm van zijn schrijvers dat ze met weinig honorarium genoegen nemen. “Als ze meer geld willen, raad ik ze aan een blad te zoeken dat beter betaalt, 95% komt daarna wel weer bij me terug.”

In elk van twaalf edities die nu bestaan, is de hand van Liehm te herkennen. Elk land heeft een eigen redactie, waarin Liehm statutair is opgenomen, en elk land kiest zijn eigen voorplaten en auteurs, maar driekwart van de kopij is in elke editie gelijk. De locale redactie moet vooral nagaan hoe de onderwerpen van Liehm binnen de nationale context kunnen worden gepresenteerd. Hij levert zelf het merendeel van de stukken aan en hij heeft op alles het veto-recht. “Ik ben de baas, al kan ik heel flexibel zijn.” Hij leest alle stukken en als iets tegen zijn lijn ingaat grijpt hij in. Toen de Kroatische editie aan het begin van de oorlog een paar nationalistische teksten opnam, distantieerde hij zich er meteen van. “Ik kon hun standpunten goed begrijpen, maar het had er niet in mogen staan. Het conflict tussen Kroatië en Servië was geen zaak voor Lettre.”

Door het editiestelsel is Lettre inmiddels uitgegroeid tot een van de weinige echt Europese tijdschriften. De auteurs die er aan meewerken zijn afkomstig uit de hele wereld, maar de redacteuren en de lezers wonen van Normandië tot achterin Rusland, van Noord Duitsland tot in het zuiden van Spanje en Italië. Ook de thema's die aan de orde worden gesteld, zijn op Europa gericht.

In de Brusselse bureaucratie wil dat inzicht echter niet altijd even goed doordringen. Liehm kan met smaak en minachting vertellen over zijn pogingen om voor zijn projecten geld los te praten van de Europese Commissie. Het leverde hem naar eigen zeggen een opeenvolging op van gruwelijke en kwetsende ervaringen. Beloftes werden niet nagekomen, of men ging er met Liehms voorstellen vandoor. “De culturele sector van de Europese Commissie is een verschrikking. Ze hebben bijna geen budget, en met wat ze hebben weten ze niets te doen.”

Colloquia

In Brussel weet men niet met eenlingen zoals Liehm om te gaan. In een van zijn laatste gesprekken kreeg hij te horen: “We don't deal with people, we deal with institutions.” Volgens Liehm geven de Europese instellingen voor cultuur alleen maar geld uit aan colloquia en conferenties, “dat wil zeggen aan hotels, vlietuigen en restaurants.” Na afloop blijft daar niets van over.

We lopen naar het magazijn om naar de buitenlandse edities te kijken. Op een bureau ligt The News Letter, een blad dat door de culturele afdeling van de Europese Gemeenschap wordt verspreid. “Hier, kijk nou.” Liehm bladert het door. Op de eerste bladzijde staan, als was het een kunstwerk, acht identieke foto's van de vroegere Europese commissaris voor Cultuur, Jean Dondelinger. Op de tweede bladzijde staat een tien keer uitvergrote handtekening van deze man, waarna we op de derde pagina worden tegemoet gelachen door een foto van de directeur-generaal voor Cultuur. Liehm vraagt me dringend om zijn commentaar op deze ijdelheid niet in de krant te zetten.

Liehm probeert zijn ergernis over de financiële problemen te bedwingen. Het is zijn verantwoordelijkheid niet. “Ik heb iets gemaakt, ik heb het blad uitgegeven, ik heb, door hier tien jaar zonder salaris te werken, omgerekend drieënhalf miljoen francs in de onderneming gestopt. Ik ben nu een oude man. Ik ga er niet meer achteraan.”

Hij is ervan overtuigd dat zijn blad genoeg in zich heeft om door anderen te worden voortgezet. Hij sluit niet uit dat 'de centrale' wordt verplaatst naar Berlijn, waar de vroegere redacteur van het alternatieve dagblad TAZ Frank Berberich de zaken met aanmerkelijk meer succes leidt. “The New York Review of Books was ook het werk van één man, net als The Times Literary Supplement, en die konden na hun vertrek door anderen worden overgenomen. Dat kan hier ook.” De vraag is echter of met name de voormalige oostbloklanden het prettig zullen vinden om vanuit Duitsland te worden geleid. “Parijs ligt meer op een kruispunt, iedereen komt er en iedereen komt er doorheen.”

Hij laat een brief zien die hij gekregen heeft van Alain Juppé, de Franse minister van buitenlandse zaken. Liehm had hem, op de hem eigen sarcastische toon, voor de keus gesteld. Wilde Frankrijk dat Lettre uit Parijs verdween, dan was hem dat best. Als Frankrijk niet wilde, dat dit centrum van cultuur naar het butenland ging, dan moest er snel wat gebeuren. De minister belooft in zijn recente antwoord dat hij er bij zijn collega van Cultuur en Francofonie op heeft aangedrongen steun te bieden. “Als alle lezers wil ik dat het blad in Parijs blijft, waar u het hebt gevestigd.”

Liehm: “Het is aan hen. Ik ben aan het eind van mijn latijn.”

Uit een brief van Milan Kundera aan Antonin Liehm in het eerste Tsjechische nummer van Lettre Internationale (1990)

“Jij was de kosmopolitische geest van Literarni noviny en, tegelijktijd, een soort minister van buitenlandse zaken van de Tsjechische culturele oppositie. Daarna kwam de 'Praagse lente' en, daarmee, het idee een dagblad te beginnen (-) Ik weet zeker dat je van deze krant een van de beste van heel Europa zou hebben gemaakt. Helaas zijn de Russen gekomen en jij bent naar het buitenland vertrokken.

... ik herinner me dat je op een dag op een Parijse universiteit het idee hebt gelanceerd om Lettre Internationale te maken. Op dat moment had ik de gelegenheid om je geweldige koppigheid te herkennen die je uiteindelijk in staat heeft gesteld om zonder steun of financiële hulp helemaal alleen iets omogelijks van de grond te krijgen: te weten in het verwende en van cultuur verzadigde Parijs een nieuwe publikatie te lanceren die meteen de aandacht moest trekken omdat deze radicaal van de andere verschilde door zijn kosmopolitische karakter.

Eindelijk verscheen er midden in het egocentrische Parijs plotseling, op de bladzijden van je Lettre, heel cultureel Europa, Westeuropa maar ook Oosteuropa, zoals dat toen heette.