Nachtmerries vol moord en doodslag

Geen blijk van zorg, geen traan, geen menselijk woord heeft de catastrofale stroom van vluchtelingen uit Indochina ooit aan een communist ontlokt. Integendeel, de gangbare reactie was deze mensen te overladen met hoon en laster: het zijn allemaal zwarthandelaars, pooiers, profiteurs en verdere 'misdadige elementen', en met deze beschuldiging voelen regime en sympathisanten zich ontslagen van zowel verantwoordelijkheid als mededogen.

W.F.Wertheim: China om de zeven jaar. Studiereizen naar het aardse rijk. Uitgeverij EPO (Berchem), 346 blz.

Jung Chang: Wilde zwanen. Vert. Paul Syrier. Uitg. Amber, 558 blz.

Duong Thu Huong: Blind paradijs. Vert. (naar de Franse versie) Han Meijer. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 246 blz.

Hetzelfde geldt voor vluchtelingen uit andere communistische landen, maar het meest spectaculaire voorbeeld blijft Indochina, waar het aantal (boot)vluchtelingen in 1989 in alle rust de drie miljoen passeerde. Het regime liet bovendien niet na wie voor hem op de vlucht ging eerst nog even geld en kostbaarheden af te persen voor het privilege om weg te mogen. Alles is geoorloofd, het gaat immers om parasieten en handlangers van het imperialisme, en die hebben geen enkel recht. En hun familie en kinderen ook niet. Zelfs het feit dat zij betaald hadden om te mogen vertrekken werd tegen hen gebruikt: uit het feit dat zij het geld hadden kunnen opbrengen volgde immers dat het 'sjacheraars waren die zich verrijkt hadden door de werkers te exploiteren'.

Het is dit primitieve alibi (Qui veut pendre son chien l'accuse de la rage) dat ik altijd het meest afstotelijke aspect van het communisme heb gevonden. Waar je perplex van staat is niet alleen het barbaarse maar ook het naïeve van de gedachte dat het voldoende is de mensen zwart te maken om van alles af te zijn, alsof ze verwachtten dat de hele wereld uit zou roepen: - O, zijn het misdadige elementen? Nee, dan hoeven jullie geen scrupules te hebben! Die hebben geen recht op loon naar werken, medische verzorging en bescherming tegen willekeur! Die mogen jullie naar hartelust mishandelen! En hun kinderen ook! In het China-debat, destijds, waren er maoïsten die protesteerden tegen het gebruik van het woord 'slachtoffer' in westerse publicaties voor de mensen die door de Volkstribunalen werden terechtgesteld.

En dan de impliciete veronderstelling dat iedereen gewoon maar voetstoots zou aanvaarden dat een land zoveel misdadige elementen voort kon brengen, telkens weer nieuwe, drie miljoen in twintig jaar. Zonder zich af te vragen wat voor toestanden er wel in zo'n land moeten heersen om last te hebben van zo'n buitensporige criminaliteit.

Om zo te kunnen denken moet je niet alleen zelf gek zijn, maar bovendien denken dat ieder ander het ook is.

En het is nog steeds niet afgelopen. Na wat er sinds de ineenstorting van het communisme allemaal aan het licht is gekomen zijn er weliswaar niet veel mensen meer die nog openlijk zulke opinies durven belijden, maar dat betekent niet dat ze ook de wereld uit zijn; van tijd tot tijd doet een van de alte Kameraden een uitspraak waaruit blijkt dat zij net als de weduwe Rost van Tonningen allerminst van hun vroegere opvattingen zijn genezen.

Een van de meest opmerkelijke vertegenwoordigers van deze categorie is W.F. Wertheim. Een zonderling geval: kort na de oorlog onderscheidde hij zich door een zeer te respecteren standpunt met betrekking tot Indonesië, om zich over de jaren te ontwikkelen tot een van de meest abjecte napraters van de stalinistische en daarna maoïstische partijlijn. Na iedere nieuwe onthulling van de gigantische catastrofes en verschrikkingen waartoe dit bewind in China had geleid hield hij zich aanvankelijk stil, om dan na verloop van tijd, wanneer de collectieve aandacht zich zoals dat gaat op iets anders had gevestigd en de details de mensen niet meer zo duidelijk voor de geest stonden, weer onder zijn steen vandaan te komen met verklaringen dat het allemaal zoniet onwaar dan toch tenminste sterk overdreven was geweest. De ironie wil dat hij zijn kortgeleden verschenen nieuwe boek de titel China om de zeven jaar heeft gegeven: zo verlenen Fehlleistungen het geval Wertheim soms het karakter van een klucht, maar het lachen vergaat je toch snel bij wat Wertheim elke zeven jaar over China beweert.

Bijvoorbeeld over de Culturele Revolutie: daarbij zouden in China in plaats van 'miljoenen' niet meer dan 35.000 mensen om het leven zijn gekomen, zoals Wertheim in bovengenoemd boek schrijft, en nog eens herhaalt in een interview, afgedrukt in De Telegraaf van 22 januari jl. De formuleringen daarin waren zo verbijsterend dat ik eerst navraag heb gedaan bij de medewerkster van het Stan Huygensjournaal die het interview had afgenomen. Deze medewerkster verzekerde mij dat Wertheim alles letterlijk zo had gezegd, en nog wel meer in dezelfde geest, dat niet was afgedrukt. In de Telegraaf verklaarde Wertheim dat De Telegraaf hij dat hij de BBC-documentaire over voorzitter Mao niet eens wilde zien: “Het is alleen maar propaganda. Die tientallen miljoenen doden, daar moet je geen woord van geloven. Het hoogste aantal doden is 35.000, en dan zo'n drie à vier miljoen van wie het leven permanent beschadigd is, dat kan, maar meer kunnen het er niet geweest zijn.”

Nu zijn er over het aantal doden als gevolg van de Culturele Revolutie uiteraard geen officiële cijfers te krijgen, maar een zo lage schatting moet beschouwd worden als een staaltje van Wertheims humour noir. Naar een tamelijk betrouwbare uitspraak van de schrijfster Han Suyin waren het er alleen al in de provincie Szechuan ten minste 90.000 en vermoedelijk veel meer. Op Wertheims cijfers en de wijze waarop hij ze in zijn boek motiveert - want zoals wel vaker bij deze aartsleugenaar schuilt hier nog een adder onder het gras - zal ik in een volgend artikel nader ingaan; waar ik het nu eerst over wilde hebben is dat dit interview het antwoord bevat op iets waar ik anderhalf jaar geleden al mijn nieuwsgierigheid over uitsprak, in een bespreking van Wilde zwanen van Jung Chang (CS 5-10-1992), namelijk: wat denken sympathisanten met het maoïsme nu eigenlijk bij het lezen van een dergelijk boek, dat met geen mogelijkheid is uit te maken voor ongeïnformeerd, propagandistisch of oneerlijk?

Waar je dan op hoopt, of waar ik in elk geval op hoopte, is een teken van twijfel, van verontrustheid, of tenminste van verdriet, bij een zo onbetwijfelbaar getuigenis over de hartverscheurende lijdensweg die zoveel onschuldige mensen in China hebben moeten gaan. Maar nee, geen blijk van zorg, geen traan, geen menselijk woord, niets. Voor Wertheim is Jung Chang 'een onbetrouwbare bron'. “Ten eerste is zij een 'stadsjuffertje' en heeft daarom geen oog voor de situatie van de 80% Chinezen op het platteland.” En bovendien is Jung Chang een vluchteling, en zoals wij al gezien hebben zijn dat parasieten en klassevijanden ('stadsjuffertjes'). Vluchtelingen 'zullen de toestand extra ongunstig voorstellen (-) Smeuïge gruwelverhalen van vluchtelingen vinden altijd gretig aftrek bij sensatiejournalisten'.

Bij zoiets kun je alleen maar concluderen dat Wertheim het boek niet heeft gelezen, of dat de reflex van ontkennen en belasteren hem zo tot een tweede natuur is geworden dat het niet tot hem doordringt dat hij het hier heeft over een boek dat meer dan honderdduizend andere mensen in Nederland wèl hebben gelezen. Dit feit, dat zoveel mensen op grond van hun eigen lezing van het boek kunnen beoordelen in hoeverre er sprake is van een stadsjuffertje dat niet wist wat er op het platteland gebeurde, ontslaat me ook gelukkig van het corvee om dat met feiten en citaten te weerleggen.

Iets anders. Er is kortgeleden opnieuw een dergelijk boek verschenen - enfin, in sommige opzichten heel anders, maar een boek dat een analoog verhaal vertelt over een soortgelijk regime, in dit geval in Vietnam: Blind paradijs, door Duong Thu Huong. Voor dit boek zal Wertheim naar een ander middel moeten uitzien om de schrijfster verdacht te maken: er zijn weliswaar meer dan drie miljoen Vietnamese vluchtelingen, maar Duong Thu Huong is er niet een van. Zij is, met een onverzettelijke koppigheid die je het hele boek door voelt, in Vietnam gebleven. Ondanks de verschrikkingen die zij meemaakt: eerst de oorlog tegen de Fransen, dan als achtjarig kind de collectivisatie van de landbouw (die net als in China met veel bloedvergieten gepaard gaat), daarna als twintigjarige de Vietnam-oorlog: in 1967 neemt zij dienst als vrijwilliger en werkt gedurende acht jaar in het bataljon 'Zing harder dan de bommen'. Na de oorlog ontwikkelt zij zich tot de meest gelezen schrijfster van Vietnam - en, de onvermijdelijke evolutie voor iemand die niet gespeend is van persoonlijke moed en gevoel voor rechtvaardigheid, tot tegenstander van het regime. In 1990 wordt zij uit de Partij en de Schrijversbond gezet om daarna zonder proces in de gevangenis terecht te komen. Maar ook als ze weer vrijkomt blijft ze, en ze is nog steeds vastbesloten om niet te vertrekken, hoe graag het regime haar ook kwijt zou zijn.

Blind paradijs is niet als Wilde zwanen een historisch verslag maar een autobiografische roman, geschreven in een wat gekunstelder stijl, maar niet minder aangrijpend. De werkelijkheid die wordt beschreven is herkenbaar dezelfde, de nachtmerrie vol moord en doodslag van het communisme; maar het herkenbare zetelt in nog iets anders: het is hetzelfde verraad aan idealisme, eerlijkheid en fatsoen dat Jung Chang beschrijft. “Het leek wel,” schrijft Jung Chang in haar boek, “of er geen ontsnappen mogelijk was aan de manier waarop de communisten zich meester maakten van de morele principes en edele gevoelens van anderen.”

Duong Thu Huong zegt ergens in Blind paradijs, dat wil zeggen zij laat het zeggen door een van de personages in het boek: “Meisje, je moet weten hoe het zit, hoe pijnlijk het ook is. Je oom is niet anders dan een heleboel anderen die ik ben tegengekomen. Ze hebben hun uiterste best gedaan om een stralend paradijs op aarde te scheppen. Maar hun intelligentie schoot te kort. Ze wisten niet waar zo'n paradijs van gemaakt moest worden en ook niet hoe je het kon verwezenlijken (-) Hun drama, dat zijn ze zelf. Het onze trouwens ook.”