Lentebode van Planbureau lost grootste probleem niet op

ROTTERDAM,18 FEBR. Als een wonder kwam gisteren het bericht dat het eigenlijk wel meevalt met de economische malaise in Nederland. Het Centraal Planbureau verwacht voor 1995 al weer een economische groei van 2,5 procent. Dat is net zoveel als in de jaren 1983/1986, toen de economie na een economische inzinking weer aantrok. Tussen alle ellende (Bundesbank somberder over economie, werkloosheid stijgt sneller) was de tijding van het Planbureau een welkom lichtpunt. Redacties van dagbladen en tv-rubrieken wisten er niet goed raad mee.

Toch is het niet vreemd dat de economie na een paar jaar recessie weer aantrekt. Economische ontwikkelingen verlopen nu eenmaal altijd in golven. Na de vierjarige periode 1983/1986, toen het bruto binnenlands produkt (de Europese maatstaf voor welvaart) met gemiddeld 2,6 procent per jaar toenam, kwam een tijdperk van snelle groei. Van 1987 tot en met 1990 nam de welvaart met gemiddeld 3,2 procent per jaar toe. De meest recente periode 1991/1994 stond daarmee in schril contrast: 1 procent groei gemiddeld per jaar. In historisch perspectief is dat weinig.

Nederland is een klein en economisch tamelijk onbeduidend land. De economische groei hangt voornamelijk af van de ontwikkeling van de wereldhandel. De Nederlandse economie drijft op de golven van de internationale conjunctuur. Wordt de groei van de wereldhandel wat hoger ingeschat, dan heeft dat meteen repercussies voor de verwachte economische groei in Nederland. Dat is nu precies wat is gebeurd. Het vasteland van West-Europa verkeert in een recessie, maar elders in de wereld - de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, de Aziatische tijgers, Oost-Europa - draait de economie weer op volle toeren. De wereldhandel ondervindt daarvan positieve impulsen.

De verlaging van de rente in Duitsland en Nederland, die gisteren bij verrassing plaatsvond, is een teken dat met name de Duitse economie nog tamelijk zwak is. Als reden voor renteverlaging werd namelijk aangevoerd dat op dit moment het inflatiegevaar gering is. Dat betekent dat de opdrijvende druk op de prijzen als gevolg van consumptie en investeringen gering is en dat er dus sprake is van economische stagnatie.

Lagere rente is echter ook een stimulans voor de bestedingen en kondigt vaak het economisch herstel aan. De rentevoet is een indicator voor aanstaande economisch groei. De rentedaling kan dus ook als positief nieuws worden geïnterpreteerd. Wat dat betreft sprak PvdA-leider Wim Kok eergisteren in Leeuwarden wijze woorden, toen hij zei: “Ik heb het gevoel dat wij in economisch opzicht het ergste hebben gehad”.

Er is nog een andere aanwijzing dat het weer wat beter gaat met de economie. Tot nu toe werd bij de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma's en het opstellen van het advies over het sociaal-economisch beleid op middellange termijn van de SER uitgegaan van het zogenaamde 'behoedzame scenario' van het Centraal Planbureau. Dat ging uit van een gemiddelde economische groei van 1,75 procent. Vorig najaar is dit scenario een aantal malen aangepast aan de nieuwste economische inzichten.

Er is echter ook nog een ander scenario, het gunstige scenario. Dit werd nooit in de beschouwingen betrokken en ook niet geactualiseerd. Economen in de SER en beleidsmakers op de diverse ministeries redeneerden dat beter van het wat pessimistischer beeld (1,75 procent economische groei) uitgegaan kon worden. Als de economische groei onverhoopt gunstiger mocht uitvallen, dan konden meevallers worden verdeeld of worden aangewend voor verlaging van het financieringstekort. Dat is beter dan wat het derde kabinet-Lubbers deed: uitgaan van te hoge groei, wat later bij een tegenvallende economie weer moest worden gecompenseerd met ombuigingen.

Het gunstige scenario is bewust verdrongen. Maar zie, ineens is het er weer - aangepast en wel - in het ontwerp-SER-advies voor de middellange termijn. Het gunstige scenario schetst een economisch beeld dat op onderdelen heel wat rooskleuriger is dan het behoedzame scenario. De wereldhandel neemt met gemiddeld 6,5 in plaats van 4 procent per jaar toe, de lange rente in het buitenland is een half procentpunt lager (6,5 in plaats van 7 procent) en het bruto binnenlands produkt groeit met 3 procent per jaar, 1,25 procent meer dan in het behoedzame scneario.

Toch is ook in het gunstige scenario volgens de SER 'zeker geen sprake van vette jaren'. Zo wordt de aanzienlijke winstverslechtering van het bedrijfsleven in de periode 1990-1994 maar voor ongeveer de helft goedgemaakt. De gemiddelde koopkrachtontwikkeling komt uit op nul procent per jaar. Dat is beter dan de minlijn (-0,75 procent per jaar) van het behoedzame scenario, maar geeft de consument weinig reden tot juichen.

Ronduit beklemmend is in dit verdrongen scenario het volgens de SER 'uiterst sombere arbeidsmarktbeeld'. Ondanks de 3 procent economische groei per jaar, loopt de werkloosheid slechts marginaal terug met ongeveer vierduizend personen per jaar. Afgezet tegen een jaarlijkse aanwas van zo'n zeventigduizend personen in 1993 en 1994, zet dat volgens de SER 'weinig zoden aan de dijk'.

In 1998 zal het werkloosheidsniveau volgens het gunstige scenario nog altijd bóven de zeshonderdduizend personen liggen. Dat zijn er ruim 125 duizend meer dan in 1992. De verhouding tussen het aantal inactieven en actieven blijft daardoor aanzienlijk slechter dan in 1990 (het eerste jaar van het kabinet Lubbers-Kok) zodat koppeling van de uitkeringen aan de loonstijging in de bedrijven er ook bij 3 procent groei niet inzit. Ondanks de economische lentebode van het Centraal Planbureau is nog allerminst sprake van aankomende zomer. Het grootste probleem van Nederland en de andere landen van West-Europa - de grote inactiviteit onder de beroepsbevolking (zie grafiek) - wordt er niet door opgelost.