Knap gemonteerde roman van Kees van Beijnum; Een talent voor vergeten

Kees van Beijnum: Hier zijn leeuwen. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 250 blz. Prijs ƒ 34,90

In zijn tweede roman Hier zijn leeuwen maakt Kees van Beijnum de overstap van faction naar fictie. Zijn debuut Over het IJ was een 'docu-roman' waarin een waar gebeurde moord werd gereconstrueerd. Die moord groeide in het boek weliswaar uit tot een noodlotsdrama - tot een verhaal waar het papier van de politie te ongeduldig voor is - maar 'harde' feiten vormden de kern. In Hier zijn leeuwen zijn ware gebeurtenissen vooral decorstukken, die een kleine, maar verrassende rol spelen. Hoofdpersoon van de roman is de bejaarde Hans Kolk, die wegens vermeende schizofrenie vastzit in een inrichting. Op het moment dat de Apollo 11 naar de maan reist, vertelt hij zijn levensverhaal. Gemakkelijk gaat dat niet. Kolk heeft een aantal cruciale gebeurtenissen verdrongen.

Door het gewroet van zijn psychiater komt het in stukjes en beetjes toch naar boven. De geestelijke inspanning die Kolk daarvoor moet verrichten noemt hij 'mijn scherfwerk' - en wat is dat anders dan reconstructie? Van Beijnum is dus dichter bij zijn debuut gebleven dan op het eerste gezicht leek. Alleen is het nu niet de auteur die reconstrueert, maar de hoofdpersoon.

Het verhaal dat Kolk aan de verdringing ontfutselt, voert de lezer terug naar de jaren twintig. In Oeganda en New York heeft Kolk als jongeman dingen meegemaakt die traumatisch zijn geweest. Tijdens een expeditie in Afrika redde hij de Oegandees Nkongo van de dood en werd hij verliefd op de Amerikaanse Carol. Zij hoorde bij de Hemingway-achtige avonturier Ray, die in alles het tegenovergestelde van Kolk is: naïef daadkrachtig in plaats van bespiegelend passief. Kolks gebrek aan daadkracht wordt hem later, wanneer hij zich in het voetspoor van Carol met Nkongo in New York heeft gevestigd, noodlottig. Zowel Nkongo als Carol moeten op de een of andere manier door Kolk worden gered. Nkongo omdat hij als bokser in een crimineel netwerk verstrikt raakt, Carol omdat zij op de verkeerde kerels blijft vallen. Kolk faalt. Nkongo wordt door gangsters vermoord, Carol verdwijnt na de zoveelste aarzeling definitief uit Kolks leven.

Terwijl Neil Armstrong zich voorbereidt op zijn 'reuzensprong voor de mensheid', plakt Kolk zo, veertig jaar later, al die scherven herinnering aan elkaar. Net als de expeditie in Afrika, de emigratie naar de Nieuwe Wereld en de maanreis van de Apollo 11, is Kolks gegraaf in het verleden in feite een reis naar terra incognita. Zijn geheugen is een oude wereldkaart vol witte plekken.

Als Armstrong zijn historische stap op de maan zet, zijn alle witte plekken ingevuld en ziet Kolk eindelijk zijn eigen niet-gezette stappen onder ogen. Hij heeft zijn ontluisterende verleden teruggekregen. Voor even maar. Op de laatste bladzijde van de roman heeft de drang om te vergeten het toch weer gewonnen van de drang om te herinneren. 'Ik weet het niet, dokter', zijn Kolks laatste woorden. 'Het is me ontschoten.' Wat de lezer 'gezien' heeft, wordt de psychiater onthouden.

Van Beijnum trekt veel bladzijden uit voor beschrijvingen van Oeganda en New York, maar dat zijn niet de passages waar de roman het van moet hebben. Zijn Oeganda is flets, blijft steken in hitte, olifanten en ondoordringbare jungle. Ook New York komt zelden tot leven en te vaak praten de personages als in de slechtste dagen van de Nederlandse film: ledenpopperig. Maar het gevecht tussen verdringen en herinneren vergoedt veel - het zorgt voor de broodnodige lading. Kolk voert het door de hele roman; met zichzelf en met zijn psychiater. 'Naar sommige dingen kun je gewoon niet kijken', vindt Kolk - en de mens kan niet voor niets vergeten. De aanmatigende psychiater denkt daar uiteraard anders over.

Pas op de laatste veertig bladzijden van de roman wordt duidelijk wat de werkelijke inzet van hun gevecht is. Kolk ziet steeds scherper wat zijn psychiater beroepshalve niet kan zien: het fundamentele 'isolement' van de mens, en dus diens onvermogen om, bijvoorbeeld, anderen te redden. Dat is het inzicht dat Kolk, mét zijn concrete eigen falen, had verdrongen. In een mooi 'gemonteerde' passage komt dat inzicht tot uiting.

In die montage worden Kolks herinneringen naar een climax gedreven door televisiebeelden van zowel de oorlog in Vietnam als van de landing op de maan. Kolks commentaar op beide gebeurtenissen redt de roman. De napalmbombardementen noemt hij sarcastisch 'een koud kunstje'. “Probeer verdomme eens één leven veilig te stellen, te behoeden voor een tragisch lot.” Nog mooier is zijn commentaar op de maanreis - het gaat lijnrecht in tegen de vooruitgangs-euforie van dat moment.

“Hun aanwezigheid daarginds, hun clowneske gemanoeuvreer, (-) was niets anders dan de meelijwekkende ontlading van een collectief isolement, een knagende eenzaamheid, waartoe we veroordeeld waren zo lang we niet wisten of er ergens in het heelal naar ons werd gesmacht zoals wijzelf hunkerden naar 'iets' waarvan we - als het al bestond - konden houden.” Wat een lange zin, zou de psychiater zeggen, en wat een gaaf voorbeeld van projectie. Maar het lijken me historischer woorden dan Armstrongs 'reuzensprong voor de mensheid'.

    • Gertjan van Schoonhoven