Wijzig de spelling een keer per eeuw

Een punt dat telkens weer terugkomt in de discussie over spellingswijziging is dat er geen goede en geen wetenschappelijke argumenten zijn voor spellingswijziging.

De heer Molewijk grijpt iedere gelegenheid aan om ons dat te melden, voor het laatst in NRC Handelsblad van 27 januari. Toch is dat niet juist. Er is een goed argument dat direct pleit voor een ingrijpende spellingswijziging. In tegenstelling tot het Chinese schrift is ons schrift een alfabetisch schrift. Het kenmerk daarvan is dat er een directe en voorspelbare relatie bestaat tussen de gesproken vorm en de geschreven neerslag daarvan. Dit is vastgelegd in het hoofdprincipe van de Nederlandse spelling, het zogenaamde Principe van de Beschaafde Uitspraak, in 1865 geformuleerd door Te Winkel in De grondbeginselen der Nederlandsche spelling.

In de loop van de tijd verandert de gesproken taal door spontane ontwikkeling en door opname en aanpassing van woorden uit vreemde talen, dus ontstaat een verschil tussen de beschaafde uitspraak en de spelling. Zouden wij onze spelling voor altijd ongewijzigd laten, dan zou het Principe van de Beschaafde Uitspraak in toenemende mate overtreden worden en uiteindelijk zou het geschreven Nederlands meer overeenkomsten vertonen met een karakterschrift als het Chinees, dan met een alfabetisch schrift.

Als we ervan uitgaan dat ons schrift een alfabetisch schrift is en moet blijven, dan is het noodzakelijk dat eens in de zoveel tijd onderzocht wordt in hoeverre een aanpassing aan het hoofdprincipe van ons schrift gewenst is. De vraag is natuurlijk op welk moment de afwijking van het hoofdprincipe zodanig is dat een spellingswijziging noodzakelijk wordt. Daar zijn geen objectieve criteria voor te geven. Dat is een politieke en maatschappelijke kwestie. Als we afgaan op het feit dat alleen ginekoloog al aanleiding geeft tot nationaal gegiechel en rood aangelopen hoofden, dan kunnen we vaststellen dat het moment nog niet is gekomen.

Er zijn twee manieren om spelling op een wetenschappelijke manier te benaderen. Het onderscheid correspondeert grofweg met het verschil tussen theoretische en toegepaste wetenschap. Een theoretische benadering van spelling neemt de bestaande spelling als uitgangspunt en probeert er achter te komen wat de regelmaat in het systeem is. De achterliggende gedachte is dat spelling een produkt is van de menselijke geest of onze cultuur en dat inzicht in de structuur van onze spelling inzicht verschaft in cognitief of cultureel opzicht. Een dergelijke benadering leidt niet tot voorstellen voor handhaving of wijziging van onze spelling. Een voorbeeld van deze aanpak zijn de artikelen van Wester (bijvoorbeeld het essay De tao van taal).

Het toegepaste spellingsonderzoek is van een geheel andere orde. In dit soort onderzoek wordt de huidige spelling niet als gegeven aanvaard, maar als het produkt van een aantal achterliggende principes. Men gaat na in hoeverre de huidige spelling afwijkt van een optimale realisering van de principes en op grond daarvan doet men voorstellen tot verbetering. De optimale manier om het Principe van de Beschaafde Uitspraak te realiseren is iedere klank in de taal (elk foneem) te laten corresponderen met een eigen letter (grafeem). Het probleem is echter dat we afgesproken hebben te werken met een alfabet van 26 letters en dat het alfabet te weinig grafemen kent om alle fonemen (rond de veertig) verschillend weer te geven. We komen dit probleem bijvoorbeeld tegen bij de letter e, die in een woord als werknemer correspondeert met resp. een è-klank, een ee-klank en een uh-klank. Zoals we zien bij geschreven woorden als hinderen, blinderen en kipperen schiet het regelsysteem hier te kort. Er is geen regelmatige correspondentie tussen de geschreven vorm en de (beschaafde) uitspraak. Je moet de woorden (her)kennen om ze correct te kunnen lezen. Een toegepast wetenschappelijke benadering onderzoekt de mogelijkheden om te komen tot een spelling die beter aansluit bij de principes dan de huidige spelling.

Hoewel de huidige spelling geen optimale realisering is van de achterliggende principes en de veranderde gesproken taal een spellingswijziging lijkt te wettigen, hebben we hiermee geen antwoord op de vraag of het ook wenselijk is om wijzigingen in te voeren. De meeste schrijvers stellen dat het onwenselijk is om spelling te wijzigen, want we spellen met behulp van het door ons verworven woordbeeld. Voor een deel is die kritiek terecht. Als we eenmaal geleerd hebben dat trein met ei gespeld wordt, en niet met ij, dan levert dit ons verdere leven weinig problemen meer op. Deze redenering is echter te simpel. We spellen niet alle woorden geheel volgens een vast woordbeeld. Om uit te maken of we wordt of word moeten spellen of gebeurd of gebeurt moeten we grammaticale kennis expliciet maken. Het woordbeeld levert ons hier niets op. We zien dan ook juist in dit soort gevallen veel spelfouten optreden. Bij de 200 tentamens en werkstukken van studenten Nederlands die ik de afgelopen maand heb nagekeken, waren er welgeteld drie zonder fouten in de werkwoordspelling, terwijl er niet één fout in ei / ij te vinden was. Ik constateer dat ook bij geletterde personen de huidige spelling aanleiding geeft tot veel fouten.

Een tweede overweging die ingebracht kan worden tegen woordbeeld-conservatieven is dat een regularisering van de spelling weliswaar niet zo nodig of nuttig is voor mensen die de spelling reeds beheersen, maar dat het evident zo is dat een regelmatiger spelling gemakkelijker te leren is. Het grootste deel van het taalonderwijs in de lagere klassen van de basisschool wordt besteed aan de spelling. Daarbij moet zeer veel tijd uitgetrokken worden voor het aanleren van het woordbeeld van niet regelmatig gespelde woorden. Uit onderzoek naar gesproken taal en taalverwerving blijkt duidelijk dat de mens een voorkeur heeft voor regelgestuurd taalgedrag, en dat wij pas dingen in ons geheugen opslaan als het niet anders kan. Als we dit doortrekken naar de spelling, dan zou een regularisering van de spelling het lees- en schrijfonderwijs aanzienlijk kunnen vereenvoudigen. Daar staat tegenover dat alle mensen die het oude woordbeeld in hun hoofd hebben, en die machtiger zijn dan kinderen, allochtonen en (semi-)analfabeten, hun woordbeeld moeten opgeven voor een nieuwe spelling. Het is begrijpelijk dat zij bang zijn dat de door hen zo moeizaam verworven vaardigheid in een keer niets meer waard is. Echter, als een gewijzigde spelling optimaal is, in de zin dat hij zo nauw mogelijk aansluit bij het Principe van de Beschaafde Uitspraak, zal ook voor hen de vereiste inspanning gering zijn.

Moeten we nu concluderen dat een spellingswijziging wenselijk is. Welnee. Het bovenstaande geeft aan dat er goede argumenten voor spellingsverandering zijn, gebaseerd op een wetenschappelijke benadering van de relatie tussen spreektaal en schrijftaal. Maar een spellingswijziging heeft ook andere kanten. De negatieve aspecten hebben we de afgelopen tijd in ruime mate over ons heen gekregen. Een spellingswijziging kost veel geld, zorgt voor onrust, stuit op emotionele bezwaren en maakt dat oudere boeken minder gemakkelijk toegankelijk zijn. Het lijkt mij verstandig als we één keer per eeuw, op een lang van te voren afgesproken moment, een spellingswijziging doorvoeren, met daarbij een overgangsfase van een jaar of tien waarin beide spellingen een gelijkwaardige positie innemen. Iedereen kan rustig wennen aan een nieuw woordbeeld, voor uitgevers is er ruim tijd om het financiële probleem zo goed mogelijk te spreiden en er is ruim tijd om boeken in de oude spelling bij een herdruk om te zetten in de nieuwe.

Ik denk echter niet dat een dergelijke rationele aanpak gemakkelijk te realiseren zal zijn. Het intellectuele deel van de samenleving reageert zo irrationeel op de wijziging van een paar woordjes dat ik niet denk dat ik nog een spellingswijziging zal meemaken. In een mooi voorbeeld van dit irrationele gekakel (NRC Handelsblad, 16 december), stelt de intellectueel en schrijver Benno Barnard dat de spelling van het woord gynaecoloog gehandhaafd moet blijven omdat het zo mooi de Griekse rol in de westerse cultuurgeschiedenis weerspiegelt. Het doet hem denken aan humanisme, Hippocrates en wat al niet meer. Echter, de heer Barnard zou toch moeten weten dat de Grieken een ander alfabet hadden, dat een directe vertaling van de Griekse spelling in een Nederlandse spelling leidt tot een spellingswijziging (gynekoloog), dat het gesproken gynaecoloog al duidelijk de oorsprong verraadt vanwege het Griekse achtervoegsel loog, vergelijk psycholoog, dialoog etcetera en dus dat de spelling op geen enkele manier gerelateerd is aan het begrip of de oorsprong daarvan. Het doet mij denken aan iemand die een Engelse auto koopt en dan wil dat het stuur rechts zit, zodat hij er telkens aan wordt herinnerd dat de auto van Engelse oorsprong is. Dat deze plaats van het stuur in Nederland zeer onhandig is en dat we de plaats van het stuur niet nodig hebben om de oorsprong van de auto te kunnen bepalen, dringt niet tot hem door. Het lijkt me een mooi geval van intellectueel snobisme, en zoals elke vorm van snobisme is dat een uiting van kortzichtigheid.