Rechters zorgden voor emancipatie politiemethoden

De Nederlandse politie heeft als het gaat om onorthodoxe opsporingsmethoden niet veel meer van de Amerikanen te leren. Infiltratie, telefoontaps en anonieme getuigen zijn normaal geworden. Het opsporingsbelang wordt steeds meer voorop gesteld. De moeilijkheden rond het ontplofte Interregionale Rechercheteam illustreren dat de Nederlandse politie haar schroom inmiddels aardig heeft verloren. Rechter en wetgever keuren de methoden goed.

Agenten van de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (DEA) kwamen in de tweede helft van de jaren zeventig met hun onorthodoxe methoden Nederland binnen omdat de politie het hier zou laten afweten in de strijd tegen de drugs. De moeilijkheden van het ontplofte Interregionale Rechercheteam illustreren dat de Nederlandse politie haar schroom inmiddels aardig heeft verloren. Opmerkelijk aan deze ontwikkeling is dat zij tot voor kort geheel plaatsvond buiten de wet(gever) om. De emancipatie van de politiemethoden is voor een belangrijk deel gelopen via de rechtszaal.

Met name de drugsproblematiek is, in de woorden van de hoogleraar strafrecht A.H.J. Swart, “een machtige motor voor veranderingen” in de rechtspraak geweest. Typerend was de motivering waarmee de rechter in een amfetaminenzaak het stellen van vragen door de verdediging aan anonieme informanten beperkte. De Hoge Raad accepteerde in 1982 als reden “dat bij de beantwoording van deze vragen de effectiviteit van de opsporing van dit soort ernstige zaken, welke het welzijn van de maatschappij in hoge mate bedreigen, ernstig wordt geschaad en de veiligheid van de informant en mogelijk andere(n) wordt bedreigd”.

Het opsporingsbelang werd hier dus voorop gesteld en de toch niet denkbeeldige vragen over de betrouwbaarheid van dit soort bronnen werden naar het tweede plan verbannen, zo ze al aan bod konden komen.

Het grote keerpunt vormt het zogeheten Tallon-arrest van de Hoge Raad uit 1979, zo genoemd naar een Amerikaanse pseudokoper. Daarmee introduceerde de rechter een opsporingsmethode die men tevergeefs in de wet zal zoeken. Wel werd de eis gesteld dat de pseudokoper zich niet schuldig mag maken aan uitlokking. Hij mag de verdachte niet op een idee brengen waarop deze zelf nog niet was gekomen. Bij circulaire van de minister van justitie zijn nadere voorwaarden geformuleerd. Zo is infiltratie onderworpen aan de 'regie' van een politiechef en dekking door de officier van justitie. De rechter holde de controleerbaarheid van deze riskante methode echter uit door een oogje dicht te doen voor de inzet van stromannen (1989).

De aanvankelijke eis dat infiltratie vanwege de risico's beperkt blijft tot kortdurende operaties werd enkele jaren geleden, ook bij circulaire, afgezwakt. Het is infiltranten in principe ook verboden strafbare feiten te plegen. Naarmate zij verder in een criminele organisatie doordringen komt hun geloofwaardigheid daar meer van af te hangen. De kans dat een uit de regie gelopen actie voor de rechter komt is overigens uiterst gering. De infiltrant mag er op vertrouwen dat het Openbaar Ministerie gebruik maakt van zijn bevoegdheid af te zien van vervolging, zegt mr. P.M. Frielink in zijn proefschrift over infiltratie uit 1990. Niemand hoeft er trouwens van te weten. Frielink: “Anonimiteit en infiltratie gaan hand in hand”.

Het is niet bij infiltratie gebleven. Telefoontaps tegen een onbekende dader worden gebruikt voor “visexpedities” die zich in verregaande mate onttrekken aan de wettelijk voorziene rechterlijke controle. Een illustratie leverde onlangs de mededeling dat een rechercheteam met behulp van scanners duizenden gesprekken van onschuldige gebruikers van auto- en zaktelefoons in Amsterdam en omgeving heeft afgeluisterd tijdens een onderzoek naar een hasj-syndicaat. De rechter pleegt zich ook te refereren aan het oordeel van de politie dat een bepaald gezelschap verdacht is, terwijl de klassieke doctrine daarvoor een individuele verdenking vergt. Het precedent betreft de bezoekers van een jeugdhonk (1975) - maar evenzeer komen de bezoekers van een Gemeentelijke Sociale Dienst of een stationshal in aanmerking. Daar gaan naar de ervaring leert immers ook drugs om.

Tien jaar geleden betitelde de huidige rechter J. Silvis dit, met een ironische toespeling op het drugsbeleidjargon, als “rechtshandhaving met een onaanvaardbaar risico”. In een recente bundel over criminele inlichtingen vinden zelfs twee beleidsfunctionarissen uit de politiewereld dat de hogere rechtspraak soms wel erg makkelijk is in het goedkeuren van strafvorderlijke kunstgrepen zoals het observeren van personen zonder dat sprake is van een gerichte verdenking of het gebruik van anonieme tips om een huiszoeking te legitimeren, zelfs als de tip onjuist blijkt te zijn.

In dezelfde uitgave wordt gesignaleerd dat de rechter bij de behandeling van strafzaken doorgaans liever niet doorvraagt over de gebruikte politiemethoden. Het is overigens niet alleen de rechter die liever geen lastige vragen stelt. Minister van justitie Korthals Altes verklaarde in 1988 op Kamervragen dat hem geen gegevens bekend waren over de aantallen gevallen waarin op grond van zijn richtlijnen pseudokopers werden ingezet.

Inmiddels is de wetgever aardig op weg de rechter in te halen. De anonieme getuige is nu wettelijk erkend. De actieradius van de politie is verruimd door de strafwet uit te breiden met een bepaling tegen “voorbereidingshandelingen”, zeg maar: criminele plannenmakerij. Niet zozeer de oogst aan veroordelingen is van belang, maar de verruiming van opsporingsbevoegdheden die de nieuwe wet meebrengt. Er is met andere woorden minder nodig voor een telefoontap, huiszoeking (tegenwoordig inclusief het doorzoeken van computerbestanden), infiltratie en het criminele inlichtingenwerk. Volgens een nieuw wetsvoorstel wordt het arsenaal van de politie nader uitgebreid met richtmicrofoons. Telefoontapgegevens komen, ook als ze niet in een strafzaak worden gebruikt, ter beschikking van de criminele inlichtingendiensten maar kunnen tegenover de verdachte geheim worden gehouden. Invoering van de kroongetuige staat hoog op de politieke agenda. We hebben in Nederland weinig meer van de Amerikanen te leren.