'Doping is geen medisch, maar ethisch probleem'

AMSTERDAM, 5 FEBR. Een discussie over de zin en de onzin van sport is niet aan de orde in de sportwereld. Het handvol sportfilosofen in de wereld, waaronder dr. J.W.I. Tamboer zich mag scharen, wordt er dagelijks mee geconfronteerd. “Niet lullen maar ballen. Mensen uit de sport lijken niet zo geweldige handig in, en hebben weinig interesse voor het reflecteren van hun eigen wedstrijd. Terwijl de sport toch allerlei vragen oproept over dopingproblematiek, fairplay en vercommercialisering.”

Sport is de laatste jaren van de marge in de samenleving opgeschoven naar het centrum. Versporting van de samenleving. “Het is tegenwoordig vanzelfsprekend dat je gympies aan hebt. Ook al heb je niets met sport”, ervaart Tamboer, als sportfilosoof verbonden aan de faculteit voor Bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit te Amsterdam.

“In de laatste twintig jaar is sport het belangrijkste gespreksonderwerp geworden. Mensen vullen hele avonden met naar sport op televisie kijken. Vragen dienen zich aan, maar niemand pakt ze op.” Tamboer ontdekte een gat in de markt. Hij besloot nadat hij in 1985 als filosoof promoveerde op het proefschrift 'Mensbeelden achter bewegingsbeelden', cursussen sportfilosofie te geven. Er bleek belangstelling. Dankzij een subsidie kunnen hij en collega-wetenschappers zich sinds kort zelfs bezighouden met een breed onderzoek naar waarden en normen in de sport.

Er zou weleens behoefte aan kunnen zijn. “Sport was aanvankelijk een eigen wereldje, dat zelf vast stelde wat goed en kwaad was. Maar sinds het bedrijfsleven, de media en de politiek zich met sport zijn gaan bemoeien, is de sportwereld veranderd. Deze is daar niet afkerig van, omdat ze dat geld en die aandacht hard nodig hebben. Daardoor is de aandacht verschoven. Het gaat tegenwoordig alleen over topsport. In de jaren zestig was er nog een afzetting tegen topsport en werd vooral recreatiesport gepromoot. Maar nu zie je dat veranderen in: prestatie, prestatie, prestatie.”

Spelletjes van betrekkelijke onschuld hebben een enorme lading gekregen, weet Tamboer. “Er zijn geweldige prijzen te winnen. Door sport kun je stijgen op de maatschappelijke ladder, krijg je aanzien. En zolang de samenleving een geweldige status toekent aan winnen, heb je weinig keus. Maar als de samenleving een geweldige waarde hecht aan de nummeréén zijn, aan het winnen, dan ga je er ook alles voor doen. Dan wacht de dopingproblematiek. Waarom zou je niet naar alle beschikbare middelen grijpen. Als er zoveel te verdienen valt, in de letterlijke en figuurlijke zin, vind ik het hypocriet om een topsporter te wijzen op wat hij niet mag.”

Het stoort Tamboer dat het dopingprobleem wordt afgeschilderd als een medisch probleem. “Kijk maar welke deskundigen worden opgevoerd: inspanningsfysiologen en medici. Terwijl het een ethisch probleem is. Maar als je dat hardop zegt, wordt er gegniffeld omdat ethiek iets wazigs is. Medici vergalopperen zich daarentegen regelmatig in medisch-ethische uitspraken. Ethici, sportfilosofen zijn bedreigend.”

Hij denkt dat het met macht te maken heeft. “Het is inherent aan filosofie dat je kritische vragen stelt. En als er één wereldje is waar men niet is gediend van kritische vragen, dan is dat het sportwereldje. En bij uitstek in hogere echelons als het Internationaal Olympisch Comité. Er bestaan medische commissies, maar voor een ethicus is geen plaats. In de vakliterauur van de sport is de alom heersende mening dat doping verboden moet worden. Waar is dat verbod op gestoeld? Wat zijn de argumenten? Zodra je dat soort vragen stelt, denk ik dat de voorzitter van het IOC je liever ziet gaan dan komen.”

In december vorig jaar organiseerd het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken een studiedag over 'Doping en Medicijngebruik in de Topsport', het begin van een grootscheepse voorlichtingscampagne. Tamboer en tal van dopingdeskundigen en sporters hielden een lezing. In eerste instantie werd Tamboer verzocht zijn stokpaardje, opheffing van het dopingverbod, niet te berijden. Uiteindelijk mocht het toch, maar vroeg de organisatie hem vervolgens niet plaats te nemen in het forum van deskundigen dat na afloop voor de camera's van de VPRO-televisieserie 'Symposium' verder discussieerde.

Tamboer noemt het een illustratie voor de angst binnen de sportwereld om de greep op de bestaande situatie te verliezen. “Het IOC heeft op een vergelijkbare manier al vanaf het eind van de negentiende eeuw het amateurisme beschermd. Het was een heilige koe. In vrij korte tijd is die heilige koe omgevallen. Dat gebeurde door de grote druk van buiten. Door de televisie en het bedrijfsleven. Ik denk dat het met de dopingproblematiek net zo gaat. Het zou me niet verbazen als het op vrij korte termijn gebeurt. Bijvoorbeeld omdat topsporters die worden gestraft wegens doping, naar de burgerrechter lopen. Dan moet er veel geld betaald worden. Als sporters dat vaak doen, is dat op den duur niet meer haalbaar voor de sportorganisaties.”

Mensen zullen er altijd weer in slagen langs slinkse wegen de nummer één te worden, zolang er een hoge premie op staat. “Wil je vanuit een ouderwets soort fairplay-gedachte zorgen dat het niet gebeurt, dan zul je continu moeten controleren, elke dag. Dat is niet te betalen. En indien men het wel zou realiseren, dan zou ik ermee ophouden aan sport te doen. Big Brother is watching you. Ik zou als sporter de druk niet meer aankunnen. Vanuit de sport hoor je vaak: doping maakt de sport kapot. Mijn stelling is: het dopingverbod maakt de sport kapot.”

“Als ik met topsporters praat, hoor ik instemming. Maar ze durven het in het openbaar niet uit te spreken, dan zijn ze meteen verdacht. Ik kan het wel zeggen, ik heb geen belangen te verdedigen. Ik ben ook schuldig. Ik neem weleens een middeltje als ik verkouden ben. Maar wetenschappers mogen. Een wielrenner mag niet. Gebruikt hij, dan staat daar een straf op die in geen verhouding staat tot andere delicten in de samenleving. Maar die discussie mag niet worden gevoerd in de sport.”

De bezorgheid over de gezondheid van de sporter kan Tamboer zich voorstellen. “Maar aan de omstandigheden waaronder sport bedreven moet worden, wordt minder aandacht besteed. Skipistes die te gevaarlijk zijn. Bij autoracen, bergbeklimmen en boksen wordt de verantwoordelijkheid wèl bij de sporter gelegd. Als bepaalde middelen gebruikt worden, onder medische toezicht, dan kan dat toch. In andere geledingen van de samenleving is er geen verontwaardiging. Ballerina's schijnen veel te slikken, artiesten en musici. Maar die topsporter krijgt vier jaar schorsing aan zijn broek: einde carrière.”

De effecten van doping zijn niet eens bekend, weet Tamboer. “Men zegt dat we alert moeten zijn omdat ons genetische manipulatie te wachten staat. Nou, dat valt door geen enkele controle te achterhalen. Het valt toch niet na te gaan met wie je naar bed gaat?”

Anders dan bij volwassenen spreekt hem een zekere mate van paternalisme jegens jeugdigen wèl aan. “Hoe je dat vorm moet geven weet ik niet. Wat de taak van sportorganisaties, ouders en begeleiders daarin zou moeten zijn, daar heb ik geen helder ontwikkeld idee over. Maar bij het opleiden van kinderen voor topsport is er veel meer aan de hand dan alleen maar pilletjes. Het gaat mij om die selectieve verontwaardiging.”

Commerciële druk, mentale druk is misschien wel gevaarlijker, denkt Tamboer. “Ik heb er erg veel bezwaar tegen dat 'dopingebruikers', alleen dat zware woord al, min of meer worden afgeschilderd als criminelen. Daar doet de pers uit eigen motieven aan mee. Ik vind het belachelijk, dat ze bedriegers worden genoemd en met naam en toenaam worden gepubliceerd.”

Hij trekt een vergelijking met overtredingen van de voetbalregels. “Daar vinden echte criminele aanslagen plaats. Er is iets goed mis als je ziet hoe scheef de verhoudingen liggen: voor zowel een rode kaart wegens opzettelijk hands als een rode kaart wegens opzettelijk iemand achillespezen kapottrappen krijg je vier weken schorsing. Neem een hoestdrank en je krijgt vier jaar.”

Sport wordt opgedrongen. Het schijnt gezond te zijn om marathonachtige toestanden te doen. “Dat het schadelijk zou kunnen zijn, wordt weggemoffeld. Er is zelfs een sociale druk. Iedereen moet een trainingspak aan. Daar wordt op ingespeeld. Binnenkort moet je een hogere premie betalen bij je ziektekosten- en levensverzekering als je niet aan sport doet, omdat je een extra risicofactor bent. Maar ik kan aantonen dat ik aan sport doet. Ik ben aangesloten bij de schaakbond. Tal van marathonlopers zijn niet eens lid van een club, die doen dus niet aan sport.”

Hij verwijst naar de politiek. “In de jaren zestig hoorde je rechts geörienteerde politici zeggen dat sport en politiek gescheiden moesten blijven. Nu hoor je uit dezelfde hoek dat sport gebruikt moet worden om maatschappelijke problemen op te lossen. Sport wordt voor allerlei karretjes gespannen. Het draait allemaal om eigen belang. De druk om aan sport te doen omdat het gezond is zal wel te maken met medische macht. Zo is er altijd een macht van buitenaf die mensen aanspoort tot dingen die ze niet kunnen hanteren.”