De Ierse schrijver John Banville over Joyce, Beckett en immoraliteit; Iemand vermoorden moet bijzonder zijn

Tijdens het schrijven van het The Book of Evidence kwam de Ier John Banville tot de ontdekking dat hij niets van moraliteit afwist. Het verbaast Banville dat hij niet is beschuldigd van immoreel zijn. “De mens heeft een stelsel van regels bedacht. Maar dat zijn geen natuurwetten: we hebben die moraal zèlf gecreëerd en doen vervolgens alsof het iets natuurlijks is”, zegt hij. Ghosts en Book of Evidence zijn verkrijgbaar als Minervapocket (ƒ 26,50 en ƒ 22,70). In deze reeks zijn ook nog leverbaar: Mefisto; Kepler; Birchwood; Doctor Copernicus; Long Langkin en Newton Letter.

“Iedere prozaschrijver in Ierland krijgt te maken met de schaduw van James Joyce en Samuel Beckett. Ze staan, groot en dreigend als de beelden op Paaseiland, over je schouder te kijken naar wat je doet.” Acht romans heeft de Ierse schrijver John Banville (1945) geschreven sinds hij in 1970 zijn debuut maakte met de verhalenbundel Long Lankin, maar zijn strijd met de 'literaire reuzen' is nog lang niet ten einde. Banville gelooft dat elke kunstenaar wel één of meer voorgangers kiest om zich tegen af te zetten. “Ik bewonder Beckett zeer, beschouw hem zelfs als de grootste schrijver van de twintigste eeuw. En Joyce is natuurlijk ook een meesterlijk prozaschrijver. Maar tegelijkertijd bestrijd ik ze. Iedere Ierse schrijver die na ze komt, moet zoeken naar een manier om uit hun schaduw te komen. Neil Jordan, de schrijver en regisseur van The Crying Game, heeft me eens gezegd dat hij er zo moe van werd om tegen Joyce te blijven vechten dat hij maar films is gaan maken.”

Marionetten

Ik spreek Banville in een pub in Dublin die ligt op een steenworp afstand van de redactie van The Irish Times, waarvan hij literair redacteur is. Banville is een beleefde, ietwat gezette man. Zijn gezicht verraadt zelden emoties. Zijn voorkomen - verzorgd, bedachtzaam, ernstig - stemt enigszins overeen met zijn boeken. Banville schrijft geen proza waarin je voor het slapen gaan ter ontspanning nog even een kwartiertje leest. Zijn rijke, dichterlijke zinnen vereisen concentratie. Erkenning kreeg hij vooral met zijn laatste twee romans. In The Book of Evidence geeft de hoofdpersoon Freddy toe aan een plotselinge impuls: hij begaat een even wrede als zinloze moord en blijft dagenlang zijn onvermijdelijke arrestatie afwachten. In Ghosts, een soort vervolg op The Book of Evidence, duikt dezelfde hoofdpersoon op, maar deze keer naamloos. Hij is uit de gevangenis ontslagen en probeert terug te keren in de maatschappij.

“Bij het schrijven van die twee boeken realiseerde ik me, dat ik absoluut niets van moraliteit afweet. De vroegste aantekening die ik voor The Book of Evidence maakte, was de vraag: is het verkeerd mensen te doden? Een interessante kwestie. Veronderstel dat er geen religie bestaat en dat de maatschappij zichzelf geen moraal opgelegd heeft... In The Book of Evidence komt een citaat van Nietzsche voor: 'Er bestaan geen morele feiten, alleen morele interpretaties van feiten.' Aan een feit kan geen moraal verbonden zijn. Iemand doden is niet goed of fout totdat je het interpreteert. En de maatschappij heeft besloten het als slecht te interpreteren. Een dier in het bos dat iets op z'n weg vindt, zal het echter doden zonder daar een moment bij na te denken. De mens heeft een stelsel van regels bedacht. Maar dat zijn geen natuurwetten: we hebben die moraal zèlf gecreëerd en doen vervolgens alsof het iets natuurlijks is.

“Het moet een bijzondere, vervoerende ervaring zijn om iemand te vermoorden. Stel dat het een week duurt voor je gepakt wordt. Dat moet een buitengewone week zijn: je hebt het allerergste gedaan dat je kùnt doen, en nog steeds ben je een mens.” Ter geruststelling voegt Banville er aan toe dat hij niet het verlangen heeft iemand te doden. “Bovendien betwijfel ik of ik er de moed, of de kracht voor zou hebben.”

Het verbaast Banville dat hij er nooit van beschuldigd is immoreel te zijn. “Ik denk dat The Book of Evidence zo in de smaak viel omdat mensen iets weerspiegeld zagen van een verdrongen kant van hun karakter, waarvan ze hun hele leven al tegen zichzelf zeggen dat die fout is. Het boek is niet geschreven als Misdaad en Straf van Dostojevski of l'Etranger van Camus. Het is min of meer gebruikersvriendelijk. De hoofdpersoon velt geen moreel oordeel. Hij is slechts geïnteresseerd in de vraag waarom hij een moord beging. Hij verbindt geen filosofische gedachten aan de daad.”

Barsten

The Book of Evidence werd goed ontvangen. Onder de Britse critici die het lovend bespraken bevinden zich ook de misdaadauteurs Ruth Rendell en Michael Dibdin. In de overtuiging dat The Book of Evidence te glad en te makkelijk geschreven was, voorzag hij zijn volgende boek, Ghosts, van een brokkelige, rommelige structuur. “Ik heb bewust wat barsten in het oppervlak gemaakt.”

Hij beschouwt Ghosts als zijn beste, maar ook zijn moeilijkste boek. “Ik heb er vijf jaar over gedaan. Omdat het geen plot, vastomlijnd verhaal of richting had, bestond er geen moment waarop ik kon zeggen: nu is het klaar. Het kostte me moeite om vast te stellen wanneer het boek een artistieke eenheid bereikte. Het was te vergelijken met Matisse, zoals die aan het einde van zijn leven net zo lang met gekleurde vormen op een witte ondergrond bleef schuiven tot hij instinctief de juiste artistieke oplossing gevonden had. De personages in Ghosts zijn als marionetten, je trekt aan de touwtjes van zo'n personage en het begint te bewegen. Zodra je de draden van een ander personage oppakt valt de eerste weer stil. Als lezer blijf je denken: nú komt het boek op gang. Maar de verschillende verhaallijnen worden niet afgemaakt.”

Het wordt de lezer gaandeweg duidelijk dat de verteller in Ghosts opnieuw Freddy uit The Book of Evidence is. Banville noemt hem nergens bij naam. “Tijdens het schrijven heb ik zelfs vermeden onder die naam aan hem te denken. Ik beschouw hem als een man in een vrije val, op zoek naar vaste grond onder de voeten. Ghosts is het verslag van zijn pogingen orde en stilte te vinden. Hij heeft al twee boeken lang niet in de gaten dat zijn medemensen het voornaamste obstakel in zijn leven zijn. Het zou beter met hem gaan als hij niet met andere mensen om hoefde te gaan. People keep getting in the way. In het boek waarin ik nu werk, komt hij opnieuw voor; het derde deel van een trilogie. Hij is letterlijk een vrouw aan het verzinnen en beleeft daar een merkwaardige affaire mee. Terwijl zij in de loop van het boek steeds werkelijker en substantiëler wordt, begint hij langzaam te vervagen. Hij is op het laatst alleen nog maar een stem.

“Ik kan fictie schrijven over onderwerpen waar ik niets vanaf weet. Zodra ik geen fictie meer schrijf, merk ik hoezeer het gedrag van andere mensen me verbaast. Ik schat mensen verkeerd in en wordt voortdurend verrast door hun motieven. Ik geloof niet dat schrijvers veel van andere mensen of van het leven in het algemeen afweten. Ik spendeer mijn tijd door langdurig alleen in een kamer te zitten en verhaaltjes te schrijven. Dat is toch geen normale activiteit?”

Op de vraag wie er dan wèl iets van het leven afweet antwoordt Banville: “Vrouwen.” Na een korte stilte voegt hij eraan toe dat er volgens hem daarom 'zo weinig goede schrijfsters' zijn.

“Elke vrouw die ik gekend heb, wist oneindig veel meer van het leven dan ik. De manier waarop ze altijd te maken hebben gehad met een door mannen gedomineerde samenleving, heeft vrouwen geleerd zich op andere dingen toe te leggen.”

Dromen

Enkele pagina's van Ghosts schreef Banville in een 'merkwaardige hallucinerende droomtoestand' en verschillende van zijn dromen zijn bijna letterlijk in het boek terecht gekomen. “Je staat 's ochtends op en hebt één van die heel levendige, krachtige dromen gehad,” zegt Banville, “zo een waarvan je er in je hele leven maar vier of vijf zult hebben. Je probeert de persoon aan de andere kant van de ontbijttafel uit te leggen hoe die droom was. Die begint te gapen. Je beseft dat je iets probeert te beschrijven waarvan je het gewicht, de kracht niet zomaar over kùnt brengen. Voor mij is het schrijven van een roman alsof ik diegene aan de ontbijttafel zeg: ik ga vijf jaar lang alles in het werk stellen om deze droom zo op te schrijven dat jij tijdens het lezen de ervaring zult hebben die ik tijdens die droom gevoeld heb. Dat is de manier waarop ik het doel van mijn fictie het beste uit kan leggen.”

De hoofdpersoon in de boeken van Banville blijkt bij nadere beschouwing veel gemeen te hebben met Philby, Blunt en Burgess, de Britse intellectuelen die in de naoorlogse jaren voor de Sovjet Unie spioneerden. “Aristoteles heeft gezegd dat iemand met een geheim, iemand met macht is. Dat verklaart veel over mensen als Philby en Blunt. Die zullen ervan genoten hebben te leven met zo'n allesoverheersend geheim. Vooral Anthony Blunt fascineert me, ik zou over hem wel eens willen schrijven. Wie zoals Blunt deel uitmaakt van het Britse establishment en tegelijkertijd voor de Russen spioneert, heeft een prachtige manier om onder het probleem van authenticiteit uit te komen. Bij alles wat hij doet kan hij zich beroepen op z'n andere zelf. Blunt was de perfecte Engelse gentleman, maar hij zei: dat ben ik niet, ik ben een Russische spion. En als hij spioneerde zei hij: ik doe dit omdat ik een hekel heb aan de Amerikanen; ik ben een Engelse gentleman en lever hiermee een bijdrage aan de handhaving van de Europese waarden. Nooit hoefde hij te zeggen: dt ben ik, hiér sta ik voor, dt zijn mijn principes.

“Ik denk vaak aan een man die ik eens in een pub hier in Dublin zag. Hij zat met een groep mannen aan een tafeltje naast me en ze hadden een goedmoedige, maar felle discussie. Die man slaat opeens met zijn vuist op tafel en roept: dt zijn mijn principes en als die je niet bevallen... dan verander ik ze!”