Van Dieren kwelt cijfers totdat de welvaart daalt

Als er een prijs bestaat voor 'How to lie with statistics' maakt het Instituut voor Milieu- en Systeemanalyse een goede kans. In NRC Handelsblad van 27 januari worden op instigatie van IMSA-directeur Wouter van Dieren gegevens over werkgelegenheid, produktie, inkomen en prijzen, afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek, net zolang gemarteld tot ze bekennen dat de welvaart in Nederland achteruit is gegaan.

Welvaart wordt door Van Dieren geoperationaliseerd noch gedefinieerd. Er wordt een aantal criteria opgesomd. Daarvan nemen volgens het IMSA produktie, consumptie, vrij besteedbaar inkomen, onderwijs, gezondheid en vrije tijd toe. Werkgelegenheid, milieu en veiligheid van de burger nemen af. De onderlinge relatie tussen deze criteria komt niet aan de orde. Van Dieren stelt zonder meer dat de welvaart in Nederland teruggelopen is. Hij acht werkgelegenheid van groter belang dan vrije tijd, veiligheid van de burger van groter belang dan onderwijs en milieu van meer belang dan gezondheid. Dat is zijn goed recht. Maar de wijze waarop hij tot deze conclusie komt is niet logisch en kan misleidend genoemd worden.

Het martelen van de CBS-gegevens blijkt uit een tweetal grafieken die gebruikt worden ter ondersteuning van Van Dierens betoog. De kop van de eerste grafiek luidt 'Werkgelegenheid daalt ondanks enorme groei produktiviteit en produktie'. In de eerste plaats is hier het gebruik van het woordje 'ondanks' onjuist. Als de produktiviteit toeneemt betekent dit dat per eenheid produkt minder produktiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur) nodig zijn. Daling van de werkgelegenheid is dus heel logisch bij groei van de produktiviteit. Als het aantal goederen en diensten dat geleverd wordt toeneemt, kàn de werkgelegenheid toenemen, maar dat hoeft niet. Het verband tussen werkgelegenheid, produktiviteit en produktie hangt af van de samenstelling van de produktie en van de aard van de produktiviteitsveranderingen. In Nederland is de produktiestructuur in de afgelopen twee decennia ingrijpend gewijzigd.

In de tweede plaats is er van alles mis met de grafiek. In het plaatje worden BNP en arbeidsproduktiviteit uitgedrukt in BNP per hoofd van de bevolking. Dat is een uitdrukking in monetaire termen. Voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid kiest Van Dieren het arbeidsvolume per hoofd van de beroepsbevolking in arbeidsjaren. Dat is een uitdrukking in tijdseenheden. Dit arbeidsvolume per hoofd van de beroepsbevolking zegt niets over de werkgelegenheid. De werkgelegenheid in Nederland is van 1970 tot 1992 toegenomen van 4,7 tot 5,3 miljoen arbeidsjaren: een toename van 0,6 miljoen. De beroepsbevolking steeg van circa 4,8 tot 7,1 miljoen. Het toegenomen werk wordt verricht door een veel sterker gestegen aantal mensen. Dat het arbeidsvolume per hoofd van de beroepsbevolking daalt is dan ook niet een indicatie van een teruglopende werkgelegenheid, maar van een sterk gewijzigde arbeidsparticipatie. In de afgelopen jaren is bijvoorbeeld het aantal vrouwen dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt, veelal via deeltijdarbeid, sterk toegenomen.

In de derde plaats is de gevolgtrekking uit de grafiek sterk persoonlijk gekleurd en niet logisch. Van Dieren vindt de toegenomen arbeidsparticipatie - tot uitdrukking komend in een daling van het arbeidsvolume - kennelijk een verslechtering van de welvaart. Moeten vrouwen weer terug in de keuken en tel je alleen maar voor vol mee als je een volledige werkweek maakt? Het in één plaatje tonen van de ontwikkeling van grootheden in guldens en jaren wordt in de begeleidende tekst, volstrekt ten onrechte, aangegrepen om een causale relatie te leggen: produktiviteit en produktie stijgen, maar de door Van Dieren verwachte stijging van de werkgelegenheid treedt niet op. Het gepresenteerde materiaal is ongeschikt voor deze conclusie.

Vergelijkbare onzorgvuldigheden gelden voor de tweede figuur die het IMSA heeft geconstrueerd: 'Besteedbaar inkomen en koopkracht stabiliseren na 1970 ondanks produktiviteit en produktie (BNP)'. Ook hier is het gebruik van de term 'ondanks' onzinnig. Met besteedbaar inkomen wordt blijkens het plaatje het beschikbare inkomen bedoeld. Dit wordt door het CBS bepaald door enkele posten die betrekking hebben op inkomensverdeling te verrekenen met het BNP. Het verband tussen beschikbaar inkomen en BNP wordt door Van Dieren genegeerd.

Ten tweede valt in de grafiek de arbeidsproduktiviteit niet te ontwaren. In de derde plaats worden ook hier weer appels en peren bij elkaar opgeteld. Gegevens over de koopkracht zijn weergegeven in de vorm van een indexcijfer, waarvoor geldt dat de koopkracht in 1969 op 100 wordt gesteld. Uit de grafiek blijkt dat de index in 1990 ongeveer op 130 is aangeland. Een forse groei derhalve, helemaal geen stabilisatie! Stabilisatie geldt ook al niet voor de ontwikkeling van het beschikbare inkomen. In 1970 is dat blijkens het plaatje zo'n 12.000 gulden per hoofd van de bevolking tegen ongeveer 17.000 in 1990.

Een vierde onjuistheid betreft het leggen van een causaal verband tussen de ontwikkeling van BNP en koopkracht. Het BNP is in de grafiek een bedrag in guldens, de koopkracht is dimensieloos. De koopkracht is een uitdrukking voor de reële bestedingsmogelijkheden van het inkomen. Grofweg is het een correctie van het inkomen voor de relatieve prijsontwikkeling. Deze grootheid blijft in Van Dierens betoog buiten beschouwing.

Voor het aantonen van verbanden tussen (economische) grootheden is een groot aantal statistische technieken beschikbaar. Diverse correlatietechnieken kunnen gebruikt worden om de onderlinge samenhang tussen reeksen getallen te bepalen. Vervolgens kan men met regressie- en causatietechnieken proberen oorzaken en gevolgen te traceren. Geen van deze technieken is gebruikt door het IMSA. De bewering dat de welvaartsgroei de laatste jaren achteruit is gegaan is helaas niet onderbouwd. Van Dierens analyse is gebaseerd op misvattingen over de economie en op een onzorgvuldige grafische weergave van economische gegevens. Van Dieren geeft blijk van het ontberen van basiskennis over economische verbanden en statistische technieken. Het is een trieste zaak dat de minister van VROM en anderen op deze manier geadviseerd worden.

Als de kwaliteit van de informatie beroerd is, dan valt te vrezen voor de kwaliteit van het beleid dat op grond van die informatie ontwikkeld wordt.