Rekenonderwijs (2)

In W & O van 27 januari stelt de Commissie Evaluatie Basisonderwijs bij monde van professor Van der Linden: 'Er zijn afdoende aanwijzingen dat er sinds 1987 maar weinig in het rekenonderwijs gewijzigd is...'' Hierbij doelt de Evaluatie Commissie kennelijk op de prestaties van de leerlingen en niet op de rekenmethoden. Want op de leerboekenmarkt is er sinds 1980 een continue verschuiving gaande van gemiddeld 5 procent per jaar richting vernieuwde rekenmethoden. Deze heeft thans een vrijwel complete verandering van het totale bestand teweeg gebracht - een stille revolutie.

Omstreeks 1980 behaalde Nederland in een groot internationaal onderzoek waaraan tientallen landen deelnamen een eervolle tweede plaats. De gemiddelde goedscore van de rekenopgaven was in Japan 60 procent en in Nederland 59 procent. Ter vergelijking: de VS behaalde een resultaat van 50 procent en Zweden 41 procent.

Er was geen instantie ter wereld die verordonneerde dat een score van 70 procent of hoger het predikaat voldoende verdiende, een opbrengst tussen 55 en 70 procent als matig gekwalificeerd moest worden, en daar beneden als onvoldoende. Waaraan zou men de criteria voor zo'n indeling moeten ontlenen? Wat heeft het voor realiteitszin om het rekenonderwijs over de hele wereld als matig of onvoldoende te beoordelen?

Maar toen de toetsresultaten van een nationaal Cito-onderzoek uit 1987 gemiddeld ook een score van omstreeks 60 procent opleverde, meende een Nederlandse evaluatiecommissie in 1993 wel zo'n meetlat te kunnen aanleggen, en derhalve het Nederlandse rekenonderwijs als matig te kunnen bestempelen.

Nu zouden daarvoor redenen aangehaald kunnen worden. Bijvoorbeeld dat de leerboekenmarkt in die periode nogal gewijzigd was. Of preciezer gezegd, omdat de vernieuwde rekenmethoden de resultaten zouden drukken. Maar uit hetzelfde PPON-onderzoek van 1987 bleek nu juist dat de leerlingen die een vernieuwde rekenmethode hadden gebruikt aan het einde van de basisschool beter scoorden dan de leerlingen met een traditionele rekenmethode. Sterker nog: precies op de vernieuwde onderdelen was de opbrengst steeds significant hoger.

Welke redenen zijn er dan om wat in 1980 internationaal als relatief (zeer) goed werd beoordeeld, zeven jaar later nationaal als matig te kwalificeren? Er is immers geen enkele indicatie dat de resultaten in die periode achteruit zijn gegaan, maar integendeel eerder vooruit. En dat alles ook nog eens voor de situatie in 1994 te laten gelden, met de toevoeging dat er de laatste zeven jaar toch wel niets veranderd zal zijn.

De Commissie Evaluatie Basisonderwijs stelt in haar reactie op deze kritiek uit vakdidactische kringen en van de zijde van het Cito: 'Deze scoringswijze is statistisch volledig verantwoord en vele malen elders in de praktijk toegepast.'' Naar mijn mening is de werkwijze van de Commissie meer op mystiek dan op statistiek gebaseerd - althans wat het rekenen betreft.