Enkel gen bepaalt risico op botbreuken

Het gen voor de vitamine D receptor is van doorslaggevende betekenis voor het risico om op oudere leeftijd een botbreuk op te lopen. Dat zeggen een aantal onderzoekers uit het Australische Sydney. Ze menen dat twee varianten van dit gen de individuele verschillen in botdichtheid en daarmee de kans op botbreuken voor liefst 75% kunnen verklaren (Nature, 20 jan. p. 284).

Vitamine D bevordert de opname van calcium in de darmwand en verder de afzetting van calciumzouten in het skelet. In beide gevallen gebeurt dit door binding van vitamine D aan de vitamine D receptor. Het is dus duidelijk dat deze receptor een sleutelrol speelt bij het botmetabolisme. Botdichtheid is echter het resultaat van meerdere aanmaak- en afbraakprocessen, die onder invloed staan van een groot aantal hormonen en groeifactoren (bijvoorbeeld oestrogeen). Het lijkt dus op het eerste gezicht onwaarschijnlijk dat de vitamine D receptor zo'n overheersende rol speelt. Wel is bekend dat de uiteindelijke botdichtheid sterk genetisch bepaald wordt - botverlies (osteoporose) komt bijvoorbeeld veel vaker voor bij blanke vrouwen dan bij zwarte - maar het leek toch dat daar meerdere genen tegelijk een rol bij zouden spelen en niet één enkel gen.

De Australische prof. John Eisman en zijn medewerkers hebben het gen voor de vitamine D receptor onderzocht bij 250 gezonde volwassen blanke tweelingen (70 eeneiige en 55 tweeeiige paren). Dankzij het gebruik van tweelingen kon de invloed van erfelijke en verworven kenmerken vergeleken worden. Van het vitamine D receptor-gen zijn twee varianten (allelen) bekend en de Australiërs konden aantonen dat één van deze varianten (aangeduid als type 'b') zowel bij een eeneiige als bij een tweeeiige tweeling consequent tot een duidelijk hogere botdichtheid leidt. Het effect was het sterkst bij tweelingen die twee identieke allelen 'b' bezaten (homozygoot 'bb').

In een vervolgonderzoek bij 300 oudere vrouwen kon bevestigd worden dat het type vitamine D receptor grote invloed heeft. Zo vertoonde van de vrouwen boven 60 jaar met het genotype BB - de ongunstige variant - 74% een botdichtheid die te laag was. Bij hen lag de botdichtheid duidelijk onder de kritische grens waarbij gemakkelijk botbreuken optreden. Bij de vrouwen met het genotype bb lag de botdichtheid in het merendeel van de gevallen (61%) duidelijk boven deze grens. Dit betekent dat vrouwen met twee B-genen al tien jaar eerder risico zullen gaan lopen op botbreuken: gemiddeld al op 65-jarige leeftijd in plaats van met 76 jaar. Eisman schat dat van de blanke bevolking in Australië iets meer dan een kwart de genen bb heeft (met laag risico op osteoporose), de helft de genen Bb (met iets hoger risico) en iets minder dan een kwart de genen BB (hoog risico op osteoporose).

Het is misschien allemaal te mooi om waar te zijn, maar áls deze resultaten bevestigd worden, dan openen ze een perspectief op de preventie van osteoporose. Door te kijken naar het type vitamine D-receptor zouden mensen met een hoog risico op osteoporose al op jonge leeftijd kunnen worden opgespoord en daarna behandeld met extra calcium of extra vitamine D.