Ontheemde stoelen

Zeven stoelen staan er en zij hebben het koud. Zij staan er alsof de verhuizers, die het kleed al hebben opgerold en de tafel meegenomen, ze ieder ogenblik kunnen grijpen om ze naar de auto te dragen. Daar wachten de andere meubels, dicht opeengepakt, op het sluiten van de deuren.

De zeven stoelen staan in het Haags Gemeentemuseum. Er is geen plek in het land waar het verlangen naar nieuwe schoonheid dat de mensen aan het eind van de vorige eeuw overviel, zo tot uiting komt als hier. Weg met ouderwetse bedomptheid en de wirwar van stijlen, roept de geest van dat gebouw. Weg met de academische schilderkunst van 'net echt', wij willen iets mooiers, iets beters. Berlages gebouw is een lofzang op de rechte lijn - maar niet op één rechte lijn. Het zijn er een heleboel, evenwijdig aan elkaar, haaks op elkaar, korter, langer, zoiets als de geometrisch geworden bloesembomen van Mondriaan. Het is een prachtig gebouw, dat met zijn voeten nog in de oude tijd staat maar de blik strak op de horizon heeft gericht.

In dat gebouw staan die stoelen, als onderdeel van een expositiereeks met de titel Kunst rond 1900. Het zijn rechte eikehouten stoelen, ontworpen door K.P.C. de Bazel (1869-1923). Ze zijn versierd met wat ingetogen houtsnijwerk, en de glimmende leren bekleding heeft rijen van die ouderwetse koperen knopjes langs de randen. Hier en daar zit in het hout een rondje van lichter hout waar iets in is gegraveerd. Strenge, doch rechtvaardige stoelen. Eentje heeft een uitgelopen vlek op het leer van de zitting, midden voor, waar misschien tussen de benen van een kind wat soep of jus is gemorst.

Maar o, wat staan ze er verloren bij, De Bazels eetkamerstoelen. Hun isolement wordt door twee bijpasssende buffetten tegen de muur en twee bordenrekken die veel te hoog hangen, niet verzacht. Het benadrukt de akeligste kant van Berlages museumgebouw, de holle, betegelde, jaren-dertig-openbaar- zwembad-kant. De meubels staan te kleumen.

Wat is er toch gebeurd met het Gemeentemuseum? Is het op? In een naburige zaal zijn nog meer van die ouderwets-moderne prachtstukken te vinden, zoals een krankzinnige staande klok uit 1901 van Wegerif, kasten, kachels, kandelaars en niet te vergeten het aardewerk en het glas. De tere groene waterglazen van Copier ontroeren mij het meest. Ik ruik weer hoe het rook in de muurkast bij mijn grootouders, waar helemaal achterin toen ik klein was nog twee of drie van diezelfde glazen te vinden waren.

Maar hier staat alles te ver van elkaar. Er had twee, drie keer zo veel in de zalen gekund. Iemand heeft de idiote gedachte gehad om de meubels op asfalttegels te zetten in plaats van op wollen kleden. En iemand is nergens zo bang voor geweest als voor het verwijt de zaal te hebben 'volgepakt'. Want daarop staat de doodstraf in het groot neo-Brechtiaans museuminrichtersboek. Regel: wie bij de ene vitrine staat moet de andere niet kunnen aanraken. Anders zou er nog eens een gevoel van geborgenheid kunnen ontstaan en dan moeten we de mensen naar de afdeling muziekinstrumenten sturen om ze weer hard te maken. En als ze dan nog durven piepen, naar Donald Judd.

Is er dan niemand die begrijpt dat de dingen die onze grootouders modern en mooi vonden, modern en mooi waren in hun schemerige huizen waar zware gordijnen hingen en kleden lagen, in kamers die helemaal vol stonden zodat alles met elkaar kon praten en elkaar aanraakte? De museum-strakmakers hebben zelfs geen kaarsen in de kandelaars gedaan. 'Objecten' zijn het, dat mogen we niet vergeten.

En is er niemand die begrijpt dat wie naar een museum komt om dingen te bekijken die hij graag ziet, liever meer van die dingen ziet dan minder? Dat het onbeleefd en arrogant is om te zeggen: wij zoeken wel wat voor je uit, bezoeker, maar niet te veel anders weet je niet meer wat belangrijk is?

De Heer zij geloofd, er is nog een vertrek in het Gemeentemuseum te vinden, met wat moeite, waar een mens kan voelen hoe die meubels van rond 1900 bedoeld waren. Het is de Dijsselhofkamer, een paar zaaltjes verderop. Je moet door een deur met een gordijn ervoor om hem te betreden, en als je binnen bent sta je, zoals dat heet, in een andere wereld. De muren zijn bespannen met batikstoffen waarop grote gestileerde planten en dieren in gedempte tinten zijn afgebeeld. Maar de kleur van het vertrek wordt bepaald door het hout van de meubels, de vloer, de betimmeringen: hout met snijwerk, hout met inlegwerk, licht hout dat in de loop van de tijd is nagedonkerd. De kamer is goudbruin van het hout, een kleur van oude honing.

Dit is een kamer zoals iemand die zich zou kiezen. Hij zou iets kleiner kunnen, wat hij misschien ook was in zijn oorspronkelijke toestand - en voller. Want G.W. Dijsselhof, een generatiegenoot van De Bazel, heeft hem natuurlijk niet voor het museum ontworpen, maar voor echte mensen die wisten waarvan zij hielden.

En er is een bed! Het staat in een nis, ingebouwd op een manier die aan een schip of een klooster doet denken. Het ligt beschut onder een houten tongewelf, met aan het eind een kastje en een middeleeuws aandoende troonzetel. Een koperen schemerlamp maakt duidelijk dat dit geen slaapbed is maar een leesbed. Hier te mogen liggen lezen en kijken naar de meubels en het behang, wat zou dat een voorrecht zijn.

Er is geen verbiedend draadje voor het bed gespannen, zoals voor de stoelen in de Dijsselhofkamer. Natuurlijk durfde ik er niet op te gaan liggen, maar wie in het museum werkt zou dat misschien toch eens moeten doen, om zich te koesteren in de warmte en de stijl van een echt interieur-rond-1900. Misschien wil mijnheer Locher het wel doen, de nieuwe directeur. Gewoon eens op dat bed gaan liggen lezen - en dan niet in het groot neo-Brechtiaans museuminrichtersboek.