Over het verlangen naar onwetendheid; Met de handen voor de ogen

Ieder mens trekt grenzen tussen wat hij wil weten, en wat niet. Hij kijkt over een kranteartikel heen en draait de knop om als er iets onaangenaams gebeurt. Het is een raadselachtig proces van verdringen en ontkennen. W. WOLTZ, journalist en oud-hoofdredacteur van deze krant, aanvaardde gisteren aan de Erasmus Universiteit het ambt van bijzonder hoogleraar persgeschiedenis, de Maarten Rooij-leerstoel. De leerstoel is een initiatief van de hoofdredactie van NRC Handelsblad. Van de oratie van Woltz volgt hier een bekorte versie.

Journalistiek en wetenschap hebben één doel gemeen: het verzamelen van kennis. Dat is doorgaans aangenaam werk, en wat daarna komt - schiften, analyseren, interpreteren - is zeker even opwindend. De enige schaduw over het landschap is, dat er ook gepubliceerd moet worden. Weinig is zo bevredigend als een boekenrugje met de eigen naam in de kast, niets zo smartelijk als dat boek te moeten schrijven. Maar het dient te gebeuren: uit ijdelheid, om het geld, maar vooral omdat de mensheid dorst naar kennis. Denken wij. Geloven wij.

Is het waar? Is die behoefte aan kennis zo groot, wil de mensheid wel weten? Vermoedelijk is veel nieuws - vooral als het blijvend treurig is, zoals over Joegoslavië - aan dovemansoren gericht. Als die stelling juist is zien wij hoe grote groepen mensen weigeren kennis te nemen van dat deel van de werkelijkheid. Misschien vinden zij de Balkan te gecompliceerd, of wat er gebeurt te gruwelijk, misschien raken zij geestelijk verlamd door het gevoel niets te kunnen doen. Wat ook de redenen zijn, men wil niet weten wat zich daar afspeelt. Voor journalisten is die houding moeilijk te accepteren. Zij, althans de serieuzen onder hen, zijn het vak ingegaan met een niet te bevredigen nieuwsgierigheid en een missionaire drang om informatie door te geven. Hun optimistische uitgangspunt is het ideaal van de Verlichting: kennis maakt mens en maatschappij beter, waardiger, menselijker. Dat onderscheidt ons van de dieren, dus de tautologische verklaring is: de mens verzamelt kennis omdat dat hem als mens typeert. Meer kennis geeft meer menselijkheid.

Onomstreden lijkt mij, dat de drang tot overleven één der sterkste driften is die ons beheersen. In dienst daarvan zijn de meesten van ons bereid de Tien Geboden te overtreden. Toch vinden mensen het verzamelen en verspreiden van kennis soms belangrijker dan hun leven. Handelen zij dan irrationeel en tegen hun 'ware' belangen? Nee, men kan op rationele gronden tot de conclusie komen dat de kwalitéit van het leven belangrijker is dan het leven zelf. Als het verzamelen en doorgeven van kennis, of het recht om dat te doen, essentieel is voor die kwaliteit, dan geldt: weten is belangrijker dan overleven.

Tegelijkertijd is een tegengestelde kracht aan het werk, zoals wij bij Joegoslavië zien: de drang om niet te weten. Die is net zo complex en soms net zo krachtig als de behoefte om wél kennis te verzamelen. Het niet willen weten is menigmaal óók een kwestie van zelfbehoud, of om het scherp te stellen: van leven of dood.

Twee tendensen dus: willen weten, en niet willen weten. Over dat eerste onderwerp is heel veel meer gesproken dan over het tweede. De filosofie houdt zich al meer dan 2500 jaar bezig met de kenvraag: 'hoe leren wij de werkelijkheid kennen?' en nauwelijks met de kwestie die daarmee samenhangt: 'hoe leren wij de werkelijkheid óntkennen?'. Is het omdat 'dorst naar kennis' zoveel nobeler lijkt dan 'niet willen weten?'

Een voorbeeld - naar mijn mening het meest tragische maar ook ontroerendste voorbeeld van niet willen weten uit de geschiedenis.

Rome, in het jaar 1633. De zeventigjarige Galileo Galilei in zijn witte boetehemd ontkent dat hij denkt wát hij denkt, namelijk dat de aarde om de zon draait. Hij verzekert de Inquisitie, dat hij gelooft aan de kosmologie van Aristoteles en Ptolemeus, zoals de kerk wil.

Dus: de aarde staat stil en wordt omgeven door bolvormige lagen van lucht, water en vuur. Alle hemellichamen doorlopen volmaakte, cirkelvormige banen want de Schepper neemt niet met minder genoegen. In hun suizende gang produceren zon, maan en planeten bovendien hemelse muziek, de muziek der sferen.

Het proces tegen Galilei staat te boek als hét voorbeeld van de onverdraagzaamheid van de katholieke kerk, als een worsteling om de geestelijke vrijheid. Die voorstelling is niet onjuist, maar te simpel.

De inzet was niet alleen: beweegt de aarde of niet. Dat debat was al sinds de Griekse tijd gevoerd, ook binnen de katholieke kerk, zonder dat het iemand de kop had gekost. Copernicus verkondigde honderd jaar voor Galilei al, dat de aarde om de zon en om haar eigen as draaide.

De kerk liet dat toe, niet uit liberaliteit maar omdat de grenzen van de discussie duidelijk waren getrokken. De zon draaide om de aarde, dat stond in de Bijbel en daar viel niet aan te tornen. De rest was interessante speculatie of wiskundige oefening maar had niets met de werkelijkheid te maken. Het debat werd echter scherper tegen het eind van de Middeleeuwen, omdat de wetenschap steeds overtuigender argumenten kon aanvoeren voor een nieuwe kosmologie. De toon van de discussie werd vrijer en vóór de periode die wij nu Renaissance noemen, kwam binnen de wetenschapsbeoefening een evolutie op gang die draaide om de vraag, of de natuurfilosofen zelfstandig onderzoek mochten doen, los van de gevestigde opvattingen van de kerk, en om der wille van het onderzoek zelf. Het ging om de principiële vraag: mag alles geweten worden, of niet. Het mocht niet.

De discussie kreeg bovendien een andere dimensie door een technologische nieuwigheid uit het Zeeuwse Middelburg, de telescoop. Galilei hoorde het nieuws in 1609 en begon zelf instrumenten van hoge kwaliteit te bouwen. Hij constateerde al snel, dat de maan helemaal niet perfect van vorm was, zoals Artistoteles had beweerd. Op 7 januari 1610 ontdekte hij dat om Jupiter drie, (later werden het er bij hem vier) manen draaiden. De aarde was dus niet het enige hemellichaam met een satelliet - waarom zou het hele systeem dan niet om de zon kunnen wentelen?

Al deze feiten, en een reeks andere, leverden geen onweerlegbaar bewijs voor een heliocentrisch systeem, maar ze waren ook niet meer af te doen als filosofie of mathematische hersengymnastiek. Elke leek die door een telescoop keek, kon waarnemen dat de maan pokdalig is, de zon vlekken heeft en dat myriaden sterren op geweldige afstanden van de aarde staan.

Maar niet elke leek wlde kijken, en ook niet elke wetenschapsbeoefenaar. Een aantal hoogleraren aan de Universiteit van Padua weigerde door de telescoop te kijken. Anderen deden dat wel, zagen de manen van Jupiter en de schijngestalten van Venus, maar konden dat geestelijk niet verwerken. Zij waren niet in staat om hun ogen te geloven, en zeiden: er moet sprake zijn van een vertekening in de lens. Zij bedoelden: wij zien het, maar het mág niet waar zijn dus s het niet waar. Weigeren om te kijken, wél kijken maar ontkennen - dat is toch schoonheid?

Tien, vijftien eeuwen lang heeft de wetenschap gehoorzaam geprobeerd om de waarneembare fenomenen in te passen in filosofische of theologische systemen. De filosofie, die lange tijd ook de natuurwetenschap omvatte, was de 'dienstmaagd van de theologie': gewaardeerd maar ondergeschikt. Als het nodig was om de waarneembare werkelijkheid in het korset van geloof of theorie te persen, dan diende dat te gebeuren.

Maar de dienstmaagden verlangden tenslotte naar vrijheid en onafhankelijkheid: een confrontatie werd onvermijdelijk. Die kwam met het proces tegen Galilei, en daarmee werd, zeker in Italië, langdurig een rem gezet op de ontwikkeling van de natuurwetenschap.

Maar het was niet de laatste botsing, zoals wij weten. De volgende Galilei heette Darwin, de geestelijkheid worstelde weer met de feiten (had God de fossielen als fossielen in de rotsen gelegd om het geloof van geleerden te beproeven? Had Adam een navel, hij was vermoedelijk toch zonder navelstreng geschapen?) en uiteraard stelde de kerk het later niet op prijs dat Freud haar monopolie op de zielszorg doorbrak.

Men kan zeggen: Galilei haalde de aarde uit het centrum van het heelal, Darwin haalde de mens uit het centrum van de schepping, en Freud splitste het Ik, door zijn tweedeling in bewustzijn en onbewustzijn. Het onbewustzijn, die bagagekluis voor alles wat men niet wil weten en dus verdringt.

Laten wij aannemen, dat de mens over drie 'werktuigen' beschikt om het mysterie van het heelal, zijn eigen bestaan en de wereld om zich heen te doorgronden: de rede, dus logisch denken; de verbeelding (of inspiratie, of creativiteit) en de zintuiglijke waarneming. Simpeler gezegd: denkkracht, gevoel, ogen. Het lijkt logisch te veronderstellen, dat een harmonische combinatie van deze middelen de beste resultaten oplevert. Die conclusie is echter zelden toegepast. De Griekse filosofie leunde zwaar op de rede en had ernstige bezwaren tegen zintuiglijke waarneming. Met de opkomst van het christendom verschoof het accent naar de inspiratie, de rede kreeg een dienstbare functie, het wantrouwen tegen de zintuigen bleef.

Tot het aanbreken van de Renaissance werd de westerse beschaving gekenmerkt door a. een diep gevoel van betrekkelijkheid over het aardse bestaan, en dus een matige belangstelling voor de aardse werkelijkheid, b. een lage waardering voor systematische zintuiglijke waarneming en c. weerstand tegen het experiment als methode om kennis te verwerven. Welke hoofdredacteur of welk bestuur van een vakgroep zou een sollicitant met die geestelijke bagage in dienst nemen?

Dat veranderde. De ogen gingen open in de Renaissance, er viel zo veel te zien, zo veel te ontdekken. Maar er was geen traditie van onbevooroordeeld waarnemen, goed kijken moest aangeleerd en geoefend worden, met vallen en opstaan. Een prachtig voorbeeld daarvan is de Indische rinoceros van Albrecht Dürer uit 1515.

Het dier was een cadeau van de Sultan van Guzerat aan de koning van Portugal, die het tentoonstelde in Lissabon. Dürer aanschouwde het wonder niet zelf, maar hij maakte deze tekening, op grond van een schets en een beschrijving van een Portugees tekenaar.

Van die tekening werd een houtsnede gemaakt, en zo begon het lange leven van een licht gehandicapte Indische neushoorn. Want hoewel Dürer het beest verbluffend accuraat tekende, met al die vreemde pantserplaten, maakte hij toch één fout. Zijn rinoceros had, behalve een grote hoorn op de neus, wat juist is, ook een klein hoorntje op de rug.

En dat hebben Indische neushoorns niet. Die hebben maar één hoorn, op hun neus. De Afrikaanse soortgenoot heeft wél twee horens, maar die zitten allebei op de neus.

Bijna driehonderd jaar lang bleef Dürers foute houtsnede het oer-voorbeeld voor rinocerossen in Europa. Hij werd op grote schaal gekopieerd in tientallen boeken en verscheen op porselein, in tapijten en als bronzen of marmeren beeld. Er waren kunstenaars die het waarnemingsvermogen van hun collega's hoonden, maar wat verscheen op de rug van hun neushoorns? Juist, dat duivelse hoorntje.

Gelukkig publiceerde de ontdekkingsreiziger James Bruce in 1790 deel 5 van zijn Ontdekkingsreis naar de oorsprong van de Nijl, met gravures van James Heath. Bruce wist alles van Dürer, had rinocerossen goed bestudeerd en hij kondigde aan dat het publiek nu en voor het eerst de echte Afrikaanse rinoceros zou zien, met twéé horens op de neus.

Dat laatste was waar, en goed. Maar Bruce en Heath gaven hun neushoorn ook de bekende pantserplaten- en die heeft de Indische rinoceros wél, maar de gewone Afrikaanse helemaal niet, die is vrij glad.

Wat leert de geschiedenis van de neushoorn ons? Dat waarnemen een gecompliceerde bezigheid is, waarbij het beeld voor onze ogen even belangrijk is als de aanwezige beelden in het geheugenarchief. Bruce en Heath waren oprecht van plan om het eindelijk goed te doen. Toch waren zij niet in staat om zich los te maken van het archetypische beeld in hun geheugen. Zij geloofden hun ogen niet.

Had Plato dus toch gelijk met zijn stelling dat het 'bespiegelend intellect' meer waard is dan duizend ogen? Uiteraard niet, met de ogen van die illustratoren was niets mis - de kortsluiting zat in hun hoofd, in dat bespiegelende intellect.

Zestien eeuwen later kreeg Plato antwoord van Leonardo da Vinci (1452-1519): 'Het oog, waardoor de schoonheid der wereld wordt waargenomen en weerspiegeld, is van een zodanige superioriteit, dat een ieder die instemt met het verlies ervan, zichzelf berooft van elke voorstelling van de werken der natuur. (...) Het is de meester der astronomie en de schepper der cosmografie, het adviseert en corrigeert alle bestaande kunsten, het voert de mens naar de uiteinden der wereld; het is de koning der mathematica; de wetenschappen gegrond op gezichtsvermogen zijn absoluut betrouwbaar.'

Wij reizen naar 1941, naar Singapore. De Tweede Wereldoorlog was twee jaar aan de gang. De Japanners hadden Pearl Harbor overvallen en waren bezig met een geweldige opmars. Singapore werd beschouwd als het strategische scharnier tussen Europa en Azië, dus had Londen er miljarden ponden in geïnvesteerd. De verdediging van de vesting was gebaseerd op één uitgangspunt, namelijk dat een vijand uit zee zou komen. Dus wezen alle schietsleuven van alle forten en kazematten naar het zuiden. De gedachte dat de Japanners door het schiereiland Malakka met zijn oerwouden konden trekken kwam wel op, maar werd afgewezen.

De Japanners hielden zich echter niet aan de afspraak. Hun eerste onsportieve daad was, dat zij 's nachts een bombardement uitvoerden op Singapore. Dat kon eigenlijk niet, en daarom was de stad niet verduisterd, want de officiële opvatting was dat Japanners niet in het donker konden vliegen omdat zij te slechte ogen hadden. Een kwestie van vitaminegebrek door het rijstdieet, was de populaire verklaring. Niettemin waren er 61 doden en 133 gewonden.

De tweede schending van de regels was, dat de Japanners wél door Malakka, nu Maleisië, trokken. Met hun tanks, wat helemaal onmogelijk werd geacht. De Brit die Singapore moest verdedigen, luitenant-generaal Percival, weigerde tot het laatst te geloven dat de Japanners voor de deur stonden. Rapporten over de nadering van de vijand deed hij af als 'overdreven' en 'paniekzaaierij'. Hij verbood om loopgraven en anti-tankversperringen aan te leggen. Toen zijn commandant van de genie tenslotte moed verzamelde en vroeg: 'Maar generaal, waaróm?', antwoordde Percival: 'Die loopgraven zijn slecht voor het moreel van de troepen en van de burgers'.

Generaal Percival kon niet accepteren, dat de werkelijkheid niet luisterde naar het bevel om te zijn zoals hij, Percival, dat wenste. In februari 1942 staken de Japanners Straat Johore over en zij veroverden met geringe verliezen het 'ondoordringbare fort' Singapore. De geallieerden verloren bijna 138.000 man aan doden en gevangenen.

Dit verhaal komt uit een interessante psychologische studie: On the Psychology of Military Incompetence van Norman F. Dixon. Hij geeft daarin een serie voorbeelden van militaire rampen, variërend van de Krimoorlog ('Into the valley of death rode the six hundred') tot Cambrai, Slag bij Arnhem en Pearl Harbor. De catastrofes zijn zonder uitzondering veroorzaakt doordat generaals zich vastklampten aan bepaalde denkpatronen, en ontoegankelijk bleken voor contraire informatie.

Het ging niet om pathologische afwijkingen van één individu, zoals Percival, maar om een collectieve bewustzijnsvernauwing die werd gevoed door arrogantie, racisme en rigiditeit van denken, en werd versterkt door het systeem van hiërarchie, gehoorzaamheid en groepsdiscipline.

In zo'n klimaat vereist het moed, of een paar gezonde neurosen, om met een afwijkende mening te komen, want die is verontrustend, zelfs deloyaal. En wie wil zich willens en wetens buiten een gemeenschap plaatsen? In huwelijken, krantenredacties, universiteiten- in elke georganiseerde vorm van samenleven geldt dat het individu niet altijd en over alles met de partners van mening kan verschillen. De consequentie is dat men zich zo nu en dan moet conformeren - en dat betekent een voor-programmering van de selectie uit de werkelijkheid en het oordeel daarover.

Ieder mens trekt grenzen tussen wat hij wil weten, en wat niet. Hij kijkt over een krante-artikel heen, draait de knop om - of slaat de handen voor de ogen als er iets onaangenaams gebeurt. Zo heet dat: het is niet om aan te zien. Een groot deel van de wereldbevolking leeft met de handen voor de ogen geslagen, en dat is geen waardeoordeel.

Om die toestand van niet-willen-weten te bereiken, is het onnodig om naar een hutje op het platteland te gaan. De burger van een moderne informatiemaatschappij is uiterst geroutineerd in het schiften van wat voor hem van belang is, en wat niet. Dat moet ook wel, want het informatie-aanbod stijgt per jaar met ruim tien procent.

Maar wat is dat belang dan voor het individu? Welke criteria legt het aan? Een buitenstaander veronderstelt dat elke generaal geïnteresseerd is in vijandelijke tankconcentraties, of bedreigingen in zijn rug. Het is toch zijn belang om veldslagen te winnen, mensenlevens te sparen en roem te vergaren?

Een redelijke veronderstelling, maar zoals wij weten uit de praktijk en uit vele experimenten, is dat proces van selecteren helemaal niet zo verstandelijk. Het lijkt een beetje op een chemische fabriek: aan de ene kant gaat er zout in, of aardolie, en aan de andere kant komen er tennisrackets uit. Wat binnen in die spaghettiberg gebeurt weten alleen chemische deskundigen. Over het proces in onze hoofden weten ook de specialisten heel weinig.

De communicatiewetenschap houdt zich, zoals is te zien aan de zwaarbeladen planken in gespecialiseerde boekwinkels, voornamelijk bezig met de formele kant van mediaconsumptie. Wie leest of kijkt wat, en hoe lang, van linksonder naar rechts boven, of omgekeerd? De technieken om dat alles te meten zijn langzamerhand wel uitgekristalliseerd, maar de resultaten zijn in de praktijk beperkt bruikbaar.

De complicaties verschijnen al bij het meten van waarderingscijfers of effecten van een boodschap. Mensen weten niet altijd wat zij vinden, zij vinden niet altijd wat zij denken en ze doen niet altijd wat zij vinden. Waarom niet? Dat is een vraag, die niet zonder psychologen en psychiaters kan worden opgelost, dat is het land van de projecties, de behoefte aan compensatie, de angsten en de heimelijke verlangens.

Die roeren zich in volle hevigheid wanneer mensen geconfronteerd worden met informatie die regelrecht bedreigend is voor hun vertrouwde manier van leven en denken. Het is niet eens nodig dat de nieuwe informatie fysiek bedreigend is, zoals in een oorlog. Elk voorstel tot verandering wekt onrust. Maar hoe ingrijpender de voorgestelde verandering is, des te heviger kan het proces verlopen, tot en met de conclusie: ik wil het niet weten, het is niet waar.

Een hoogleraar wenst niet geconfronteerd te worden met gegevens die aantonen dat zijn onderzoek niet klopt. Hij verhindert publikatie en bedreigt medewerkers. Een paus accepteert niet dat de aarde om de zon draait, want in zjn organisatie staat de aarde stil en is zij het centrum van de wereld.

Rigide denken is niet het privilege van kerkvaders of militairen, of van individuen met een conservatieve inslag, zoals veel priesters en militairen. Ook geesten die zichzelf graag als progressief beschouwen, kunnen verward raken in een gesloten denksysteem, waarin alle waarnemingen worden vervormd tot stukjes in een mentale legpuzzel waarvan de blauwdruk al aanwezig is.

Arthur Koestler beschrijft in The God that Failed hoe hem als kersvers lid van de communistische partij de regels van het spel werden bijgebracht. Koestler werkte in 1932 als journalist in Berlijn, en attendeerde zijn vrienden erop, dat een kop op de voorpagina van de Rote Fahne compleet in strijd was met de werkelijkheid.

'Edgar schonk mij een toegeeflijke glimlach. 'Je hebt nog steeds de mechanistische invalshoek' zei hij, en vervolgens gaf hij mij een dialectische interpretatie van de feiten.'

Edgar legde uit dat de socialistische leiders misschien wel subjectief tegen het fascisme waren, maar dat de Socialistische Partij objectief gezien een werktuig van het Nazisme was en dus de belangrijkste vijand.

Koestler vertelt even verder:

'Langzamerhand leerde ik mijn mechanistische preoccupatie met de feiten te wantrouwen en de wereld om mij heen te zien in het licht van de dialectische interpretatie. Het was een bevredigende en zelfs gelukzalige staat: als je je eenmaal de techniek eigen had gemaakt werd je niet meer gehinderd door de feiten: die namen automatisch de juiste kleur aan en vielen op de juiste plaats.'

The God that Failed verscheen in 1950. Er waren al boeken gepubliceerd over de Stalinistische terreur, elk jaar verscheen nieuwe informatie, er kwamen opstanden in Oost-Duitsland en Hongarije. Dat alles had net zo goed op tien meter afstand van de resterende trouwe westerse communisten kunnen gebeuren. Ze zouden het niet geloofd hebben, want Zij die geloven willen niet weten. Hetzelfde gold voor een aantal progressieve China-gangers, of sympathisanten van de Rode Khmer in Cambodja, of supporters van Allende in Chili.

Hoe is het mogelijk dat zo veel mensen bereid zijn hun kritische vermogens en individualiteit in onderpand te geven, in ruil voor een onderdompeling in het Grote Streven, het Antwoord op Alles? Het proces van verdringen en ontkennen is raadselachtig; het speelt zich niet af in de heldere zalen van de ratio, maar in de corridors van de emoties en de portalen van het onbewuste. Helder nadenken kan niet en helpt niet. Misschien is het wel zo, gezien ervaringen in de psycho-analyse, dat intelligente mensen zich beter in een gesloten systeem kunnen verschansen dan dommere collega's, omdat zij vernuftiger zijn in het bedenken van drogredenen en quasi- verklaringen. Waarom willen zij zich beschermen, of beter gezegd: wát willen zij beschermen? Wat willen wij allemaal beschermen?

Mijn stelling is dat de impuls om informatie af te wijzen, vaak even sterk is als de behoefte aan kennis zelf. Die laatste behoefte ligt voor de hand. Een mens moet, om te kunnen overleven en functioneren, gegevens verzamelen over de wereld. Die kennis is alleen bruikbaar, wanneer alle informatie wordt opgeborgen in overzichtelijke structuren, in de psychologie schemata genoemd. Alleen wanneer dat systeem op orde is kan nieuwe informatie zinvol worden beoordeeld, en wordt de chaotisch lijkende wereld beheersbaar en voorspelbaar. Zinvol betekent hier: subjectief zinvol, want de verlangens van het ego spelen in die selectie een grote rol.

Nu de andere kant van de medaille: het weigeren van kennis. Want wanneer een mens zijn ervaringsarchief eenmaal op orde heeft, vertoont hij grote weerstanden tegen verandering. Leon Festinger heeft hierover in 1953 een elegante theorie opgesteld, die van de 'cognitieve dissonantie'. Deze komt neer op het volgende. Zoals gezegd, toetsen wij alle binnenkomende informatie op bruikbaarheid. Is de beoordeling positief, dat wil zeggen is de nieuwe kennis niet in strijd met de bestaande schemata, dan volgt moeiteloze inpassing. Het nieuwe materiaal bevestigt de bestaande visies en oordelen, dat geeft zekerheid. Maar wanneer de informatie afwijkend is, ontstaat een onaangename en verontrustende cognitieve onbalans.

Dat innerlijke conflict kan op twee manieren worden opgelost. Of de informatie wordt geneutraliseerd en afgewezen door het prachtige proces van vertekening en ontkenning, óf de informatie komt tenslotte door de censuur en wordt opgenomen. Dan onstaat een nieuwe balanssituatie, die weer met evenveel vasthoudendheid wordt bewaakt als de vorige. Die innerlijke harmonie, een ingeboren conservatisme, is kennelijk van groot belang voor de geestelijke gezondheid.

Was het maar zo eenvoudig dat er altijd twee partijen hebben bestaan: zij die willen weten, en zij die niét willen weten. Dan wist iedereen wie hij tegenover zich had. Goed tegen kwaad, achterlijk tegen vooruitstrevend, rigide tegen flexibel. Maar zo simpel is het niet, want álle deelnemers aan het tournooi beweren dat zij op zoek zijn naar Schoonheid en Waarheid. De vraag is alleen met welke werktuigen: logisch denken, verbeelding (inspiratie) - of toch de waarneming, de ogen? Of een combinatie?

De vraag is belangrijk, want wie eenzijdig kiest, bepaalt eenzijdig wat hij uitsluit, wat hij als het ware niet wil weten. De mysticus zoekt naar illuminatie, niet naar feitenkennis. Dogmatisch gelovigen en romantisch existentialisten vinden wetenschappelijk onderzoek naar de waarneembare werkelijkheid irrelevant. Empirici daarentegen wijzen op de 'moraliteit van het feit'.

Het is niet verbazingwekkend dat er na de Verlichting, met alle overmoedige voorspellingen over het management van mens en wereld, een romantische tegenbeweging op gang kwam. Het idee dat de mens niet meer is dan een machine, is weinig charmant. Maar veel romantici, in Frankrijk, Engeland en vooral in Duitsland, waar Sturm und Drang windkracht 11 haalde, reageerden nogal hysterisch. Wat moet men nu denken van William Blake, die zei: 'Art is the tree of life, Science the tree of death?' Of Wordsworth, die schreef: 'een zuchtje wind uit het lentewoud weegt zwaarder dan alle stoffige vruchten van bibliotheken en laboratoria.'

Tegenover de rede, de logica en het geloof in gestadige vooruitgang plaatsten deze romantici mooie gedichten maar ook anti-intellectualisme, extatische zelfverwezenlijking, nationalisme en morele superioriteit van de eenvoudige geest. Uit al deze bronnen hebben de nazi's trefzeker de troebelste weten te vinden.

Elke wetenschappelijke discipline kan zijn eigen voorbeelden vinden in het grote bos van de taboes en de geweigerde kennis.

Daarbij zal de waarnemer moeten beseffen, dat hij zelf een complicerende factor is. In de communicatiewetenschap krijgt de ontvanger er vaak van langs omdat hij bevooroordeeld is, of lui, of niet goed oplet. Dat is onrechtvaardig. Ik vrees dat de zenders - en dan bedoel ik voornamelijk journalisten, want die hebben nu eenmaal meer cliënten dan wetenschapsbeoefenaren - zelden en in elk geval te weinig nadenken over hun eigen conditionering.

Ze zijn doorgaans lid van een redactie, die weer onderdeel is van een grotere organisatie met commerciële belangen. Elk medium heeft een bereidingsrecept of een formule, die kan worden opgevat als een belofte aan de consument: dit kunt u verwachten. De consument wil voor zijn goede geld informatie, maar niet te veel verontrustende informatie. Een journalist moet in principe binnen die formule blijven en ondergaat derhalve een aantal conformerende invloeden. Maar de meeste daarvan blijven impliciet. Een artikel in de krant staat er zo onaangedaan bij in zwart en wit, alsof het wil zeggen: ik ben waar, ik ben objectief. I am a camera.

Het is niet waar. Ter compensatie zou er eigenlijk een klein curriculum onder elke schrijversnaam moeten staan met gegevens als: heeft rancune tegen autoriteiten; is niet dol op joden; is misbruikt door haar vader; haat katholieken; verlangt naar de dood; houdt niet van homo's; heeft minderwaardigheidsgevoel wegens afgebroken studie; heeft behoefte aan geborgenheid in totalitaire denksystemen; heeft pathologische drang om gelijk te krijgen - enzovoorts, enzovoorts.

Maar dat is niet te verwezenlijken, en misschien is het ook niet fair. Het gaat tenslotte niet om de hang ups, maar om wat iemand er uiteindelijk mee doet. Toch, op zijn minst moet iedereen die als waarnemer op pad gaat, weten dat hij niet objectief is, geen onbeschreven blad. Elke informatie wordt door een systeem van waarden en normen geleid; dat is nuttig en noodzakelijk want anders kan die informatie niet ingepast worden en blijft zij zonder zin. Tegelijkertijd bestaat het gevaar, zoals ik heb beschreven, dat die normen en waarden de waarneming gaan vertekenen en zelfs leiden tot vierkante ontkenning van wat er gebeurt.

Het probleem voor een verslaggever is, zeker als hij vreemde culturen beschrijft: hoeveel begrip moet, hoeveel afkeuring mag de waarneming kleuren? Is het besnijden of stenigen van medeburgers antropologisch interessanter dan moreel verwerpelijk? Te stevig normbesef leidt tot etnocentrisme; te veel begrip tot nihilisme.

Al deze restricties stimuleren tot bescheidenheid en beperken de actieradius van de journalistiek. Veel vakgenoten schrapen de hoeven wanneer zij dit horen. Zeer begrijpelijk. Het is ook onacceptabel dat informatie als onbestelbaar retour komt, zoals in het geval-Joegoslavië. Maar de functie reikt nu eenmaal niet verder. Wij kunnen de lezer naar de bron leiden, maar laten drinken kunnen wij hem niet.

Even frustrerend is de gedachte dat zogenaamd objectieve feiten hoogstens een halve waarheid vertellen, en geen recht doen aan de 'achterliggende werkelijkheid'. Ook hier zien wij een wantrouwen tegen de ratio en tegen de waarneming. Romantici zeiden over de Verlichting: wel licht, geen warmte. De reddende derde is wederom: de Verbeelding. Dan ontstaat New Journalism, een uiterst subjectieve, impressionistische vorm van verslaggeving. Of faction - een mengeling van feiten en fictie: half journalistiek, half kunstwerk. Het zijn heroïsche pogingen om de werkelijkheid te verhevigen, om feiten en emoties in één pakket thuis te bezorgen, in de hoop dat de ontvanger na decodering precies hetzelfde voelt en weet als de afzender. Ik heb niet veel bezwaar tegen die artistieke variatie, mits de ontvanger weet dat het gaat om de beleving, minder om de feiten.

Mijn tolerantie eindigt daarmee. Journalisten die nóg meer actie of ontroering willen veroorzaken, kunnen beter gaan tekenen, of een roman schrijven. In een roman is álles verzonnen, dus is alles waar. In het echte leven niet. Ondanks alle opwinding wil ik weten of er in 1989 op het Tiananmen-plein in Peking 2000 mensen zijn vermoord of 200. Onlangs verkondigde een journalist de stelling, dat details er niet veel toe doen bij zo'n drama: het is toch onbelangrijk of iemand zijn moeder in de keuken of in de bijkeuken vermoordt?

Dat is een onjournalistieke, onhistorische houding. Daar sprak een timmerman die waterpas en winkelhaak weggooit omdat een beetje scheef bijna recht is. Ik vrees overigens, dat bij het rapporteren van dodencijfers, de gebruikelijke journalistieke voorkeur voor de hoogste bieder een rol heeft gespeeld. Het blijft een vak, en dat zeg ik met alle liefde, waarin een zeer ernstig ongeluk nét iets interessanter is dan een ernstig ongeluk.

Maar in de chaos van het bestaan hebben wij alle houvast nodig die er te vinden is. De mij verder onbekende filosoof Tito Perlini heeft gewaarschuwd dat de westerse beschaving in gevaar is want: 'De verlichte mens lijdt onder zijn op zichzelf geheel op bijgeloof berustende veronderstelling dat feiten superieur zijn aan ideeën.'

Wanneer dat zo geformuleerd wordt, vermoed ik dat het wel weer zal gaan om de 'achterliggende waarheid' of de 'ware verlangens' en de 'ware bestemming' van de mens. Als die Verbeelding aan de macht komt, moeten andersdenken hun hals beschermen. Indien de westerse beschaving in gevaar is, zoals Perlini suggereert, dan is dat niet te keren door achteloos met feiten om te gaan, of die te ontkennen, of asiel aan te vragen bij het obscurantisme. Het gevaar ligt niet in de feiten, maar in hoe wij die interpreteren en wat wij ermee doen.

Feiten zijn niet heilig en hebben op zich geen autoriteit. Maar intellectuele intuïtie en verbeelding zijn per definitie grenzeloos: vitaal, opwindend maar oncontroleerbaar. De waardering van wetenchap is uiteindelijk een zaak van dimensies en van zelfvertrouwen. Want: er staat géén straf op het vergaren van kennis. Het mág.

Ik citeer Karl Popper: 'Wij moeten het idee van de uiteindelijke bronnen van onze kennis opgeven en erkennen dat alle kennis menselijk is; dat die met onze fouten, onze vooroordelen, onze dromen en onze verwachtingen is vermengd (..). Wanneer wij toegeven dat er op het gehele gebied van onze kennis geen autoriteit kan worden gevonden die zich aan kritiek kan onttrekken, hoe ver onze kennis ook in het onbekende is doorgedrongen, dan kunnen wij zonder gevaar het idee dat de waarheid de menselijke kennis te boven gaat, behouden. En dit idee moeten wij behouden. Want zonder dit idee kunnen er geen objectieve onderzoekscriteria bestaan, geen kritiek op onze gissingen, geen zoeken naar het onbekende en geen najagen van kennis.'

Onderzoeken, het najagen van kennis, de wereld in en vervolgens thuis nadenken over wat men heeft waargenomen. Dat is toch waar elke journalist van droomt? Mijn advies is: zaterdag en zondag in de fauteuil met Aristoteles en Kant, maar op maandagmorgen met opschrijfboek en camera de wereld in, om te kijken hoeveel hoorntjes een rinoceros heeft.