Van asielzoeker tot Amsterdamse kraker

Een aantal vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië woont in Amsterdamse kraakpanden. Zo ook Pajo en Suzana uit Dubrovnik, die onlangs in De Pijp een nieuwe woning kraakten.

AMSTERDAM, 21 JAN. De brief aan haar ouders in Kroatië heeft Suzana maar weggegooid. “Hoe moet ik ze uitleggen wat kraken is? Ze zouden er niets van begrijpen.”

Hun eerste officiële kràk - ze hebben het woord net geleerd - is zojuist begonnen. In de Amsterdamse wijk De Pijp staan Suzana (24) en haar vriend Pajo (26) uit Dubrovnik in een drukke winkelstraat zenuwachtig te giechelen om de twintig geroutineerde krakers die hen helpen. De 'breekploeg' forceert met hamer en koevoet de voordeur van een woning die sinds twee jaar leeg staat. Dan stommelt de hele meute de trap op. “Goeiemiddag, wij zijn kraakgroep De Pijp. We komen drie-hoog even kraken”, krijgen de buren ter geruststelling te horen. Twee minuten later is ook de deur van de derde etage open en staan een razendsnel doorgegeven stoel, tafel en bed binnen. Daarmee is de woning volgens de wet 'bewoond'. Pajo en Suzana kunnen er nu pas na een complexe ontruimingsprocedure weer worden uitgezet.

Volgens de Centrale Opvang Asielzoekers zijn er van de bijna tienduizend vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië die in 1993 in de opvangcentra terechtkwamen, meer dan drieduizend “met onbekende bestemming vertrokken”. Een aantal van hen woont in kraakpanden in de hoofdstad. Medewerkers van Amsterdamse kraakgroepen in de stadsdelen De Pijp, Centrum, West en Oost zeggen dat zij sinds 1991 ten minste 140 maal gekraakt hebben voor 300 Kroaten, Bosniërs en Serviërs. Van de 700 mensen die in 1993 bij deze krakers aanklopten voor hulp, was volgens hen zestig procent afkomstig uit voormalig Joegoslavië.

Suzana is de krakers zeer dankbaar, maar zit nu in haar vers-gekraakte woning wel tegen de puinhoop aan te kijken. “Wij zijn niet zulke enthousiaste krakers, maar we moeten wel”. Pajo en Suzana zijn sinds augustus in Nederland. Ze hebben nog geen verblijfsvergunning en dus geen recht op een woning. Wel hebben ze zich bij de vreemdelingendienst gemeld. “Mijn belangrijkste wens is hier compleet legaal te leven”, zegt Pajo. Suzana's ogen dwalen voortdurend af naar het plafond, waar een barokke lamp hangt. “Die is mooi”, zegt ze. Vijf bij zes passen is de ruimte. De vloer is bezaaid met rommel, het behang komt naar beneden en de kozijnen zijn verrot. Door de vuile ruiten heen ziet Pajo een overbuurman, onderhemd en bretels strak gespannen om een imponerende buik. Als hij twee duimen in de lucht steekt zwaait Pajo vrolijk terug. “Altijd liever dit en desnoods de open lucht, maar naar een asielzoekerscentrum gaan we nooit”, zegt hij beslist. Zijn Servische vrienden Zoran en Markovic knikken heftig nee. Zoran: “De verschillende nationaliteiten uit voormalig Joegoslavië in die centra haten elkaar. Wij willen normaal samenleven. We zijn niet voor niets gevlucht voor de militaire dienst die ons boven het hoofd hing. Wij willen elkaar niet doden en elkaar niet haten.”

Markovic verbleef aanvankelijk in een asielzoekerscentrum in Leusden. Tot een Albaniër er zijn fiets opeiste. Toen hij weigerde, dreigde de man hem te zullen vermoorden. “Ik ben nog dezelfde nacht op die fiets naar mijn vrienden in Amsterdam gevlucht. Ik wil in dat centrum nooit meer terechtkomen, want dan ga ik ook anderen haten.” Inmiddels heeft Markovic politiek asiel gekregen. Maar de wachttijden voor een woning zijn lang. Daarom bivakkeert hij achter de dichtgespijkerde ramen van een slooppand in Amsterdam-Oost, tot dit over twee weken wordt afgebroken.

Op straat klinkt gejoel en gefluit. De politie. De enkele kraker die instinctief 'hondelul' roept, wordt door collega-krakers de mond gesnoerd. De agenten zijn zeer welkom. Pas wanneer zij adres, datum en gegevens van de woning hebben genoteerd, is het pand officieel gekraakt. Wijkagent Bosma heeft duidelijk ervaring. “Ik kan me niet voorstellen dat je in deze puinhoop gelukkig wordt. Nou, vele handen maken licht werk”, grinnikt hij. “Ik zou zeggen: Succes ermee!” En weg is hij weer, Suzana en Pajo, die er niets van hebben verstaan, in verbijstering achterlatend.

Op straat beaamt Bosma dat er regelmatig door voormalig-Joegoslaven gekraakt wordt. “Tja”, zegt hij, “die mensen moeten ook ergens wonen.”

Voorlopig kunnen Suzana en Pajo niets anders betalen. Ze doen met hun vrienden van alles om aan geld te komen. Suzana, van beroep grafisch ontwerper, wast af in een restaurant. Pajo, econoom, volgt nu een cursus Nederlands (“schijnt hier heel belangrijk te zijn”), maar hoopt in de zomer met zijn vrienden aan de slag te kunnen. Die sprongen vorig jaar gek verkleed rond bij verkeerslichten om auto's te wassen, “want het is leuk om mensen aan het lachen te maken en ze betalen ook meer”. Als Zoran niets verdient raapt hij de groenten die na afloop van de markt blijven liggen.

Terwijl de 'slotenploeg' de laatste hand legt aan het slot dat Pajo en Suzana zelf voor hun nieuwe voordeur hebben moeten meebrengen, geeft kraker Jeroen hen zijn laatste instructies: “Voorlopig niemand opendoen, morgen op het kraakspreekuur praten we verder.”

Pas tegen de avond is iedereen vertrokken. Pajo en Suzana blijven achter in een donkere woning. Ze roemen de 'relaxte' houding van de Nederlanders. Pajo: “In Dubrovnik werden jongens van mijn leeftijd uit een café gehaald. Ze werden direct doorgestuurd naar het oorlogsgebied, konden niet eens afscheid nemen. Wie terugkeerde leek waanzinnig geworden. Overal kwam je ex-soldaten tegen die stomdronken met hun wapens in het rond liepen te zwaaien.” Suzana: “Snap je nu waarom we liever hier in de kou zitten? We willen niet zo worden als zij.”