Ziriab, Vicent en andere raadselen

Met de historische kennis van de lezers van deze rubriek is het niet slecht gesteld, merkte ik de afgelopen weken, want van vele kanten kreeg ik te horen dat ik de matvoering die had kunnen optreden in Vidmar-Teichmann, Karlsbad 1907, ten onrechte aan Ken Whyld had toegeschreven. Wist ik dan niet dat het fraaie mat al in het toernooiboek was aangegeven door Marco, en dat Vidmar zelf er later in zijn Goldene Schachzeiten op was teruggekomen? Een misstap kan soms aangename gevolgen hebben, want een van de lezers bood uit bekommernis om mijn gebrekkige documentatie aan om het toernooiboek van Karlsbad 1907 uit te lenen, dat nobele werk van Marco en Schlechter, dat als een van de hoogtepunten van de schaakliteratuur geldt. Het was overigens niet zo dat Whyld zelf had beweerd dat hij het mat had gevonden, de fout lag geheel bij mij.

Het geheim van het tapijt met ingeweven schaakbord, waarover ik Whyld drie weken geleden citeerde, was maar een van de vele mysteries die op de bijeenkomst van schaakhistorici niet opgelost werden. Wij weten weinig. Soms menen we een klein feit in handen te hebben, en dan blijkt het later weer vervluchtigd te zijn. Zo dacht ik in 1984 op gezag van The Oxford Companion to Chess te weten dat de symbolen 0-0 en 0-0-0 voor het eerst gebruikt waren door de Duits-Franse schaakschrijver Aaron Alexandre (1766-1850), maar in de tweede druk van de Companion uit 1992 is dit detail uit zijn levensbeschrijving verwijderd, zodat wij weer in onzekerheid leven.

Wie was de eerste die aanbeval om de zwarte velden van een diagram niet zwart te kleuren, maar te arceren? Niemand minder dan de beroemde Italiaanse wiskundige, arts en wijsgeer Geronimo Cardano (1501-1576), die zich ergerde aan de onduidelijke zwarte stukken op zwarte velden in sommige schaakboeken. Dat denk ik nu te weten, op gezag van de Spaanse schaakmeester en schaakhistoricus Ricardo Calvo, maar over tien jaar is het misschien weer anders.

Dat zijn de kleine dingen. Op de grote vragen over de vroege schaakgeschiedenis hebben wij geen duidelijk antwoord. We hebben slechts een vermoeden waar het schaakspel ontstaan is, in India misschien. We weten niet hoe een spel dat zo weinig lijkt op andere spelen kon ontstaan. We weten niet precies wanneer het voor het eerst in Europa kwam, en waarom het stuk links van de koning daar van geslacht veranderde en van een vizier een dame of koningin werd. En ook weten wij niet waar en waarom aan het eind van de vijftiende eeuw dit stuk van een zwakke strompelaar opeens het sterkste stuk van het bord werd, en waarom het nieuwe 'scacchi de la donna' of 'alla rabiosa', het woeste schaak met de dol geworden dame, binnen enige tientallen jaren in West Europa de oude vorm verdrong, zodat het nu overal in de wereld gespeeld wordt.

Theorieën genoeg. Het was uit bewondering voor Jeanne d'Arc en daarom moet de oorsprong van het moderne schaak in Frankrijk gezocht worden, zegt de een. Het moet een zwakke man met bewondering voor sterke vrouwen zijn geweest die de schaakdame haar nieuwe kracht gaf, een Italiaan die zich vereenzelvigde met een zwakke echtgenoot van vorstin Catarina Sforza, zegt een psychoanalyticus. Het is in Spanje gebeurd, waar koningin Isabella krachtig heerste over Castilië, zegt een ander. Uit de veelheid van theorieën blijkt dat we niets weten.

Ricardo Calvo is iemand die zich daar niet makkelijk bij neerlegt. Op het Amsterdamse congres van schaakhistorici vertelde hij hoe het schaakspel kon zijn ontstaan uit de wiskundige oefeningen die voortkomen uit de bestudering van magische vierkanten. Eerder dit jaar gaf hij in het Duitse vakblad voor schaakhistorici Schach-Journal aan wie het schaakspel voor het eerst naar Europa had gebracht: de Perzische musicus Ziriab, die in 822 van Bagdad naar het Spaanse kalifaat van Cordoba uitweek, omdat zijn jaloerse vijanden hem in de jaren na de dood van kalief Haroen al-Rasjid het leven aan het hof van Bagdad steeds moeilijker hadden gemaakt. Een prachtig verhaal, met hofintriges, een politieke moordaanslag, esoterische genootschappen en een opmerkelijke aartsvijand van Ziriab, een zekere Al-Gazal, die na zijn nederlaag verbitterd dichtte: 'Ik zie onder deze mensen niets dan vossen en wolven die achter kippen aanzitten, en op katten lijkende mensen die zodra ze een muis zien zich klaarmaken voor de sprong.'' Ik las het verhaal met bewondering. Maar of het nu helemaal zeker is dat Ziriab het schaakspel voor het eerst in Europa heeft ingevoerd, dat weet ik niet.

Ook aan de controverse over de oorsprong van de moderne vorm van het schaken heeft Calvo een eind willen maken, in Schach-Journal no 3, 1992. Het is mooi speurwerk dat hij laat zien. Wat stond er precies in het boek van de Valenciaan Francesch Vicent, het eerste gedrukte schaakboek, uit 1495? Een van de mysteries van de schaakgeschiedenis. Het boek is in 1811 verdwenen, toen Franse troepen de bibliotheek van het Benedictijnse klooster van Montserrat verwoestten. Calvo is van mening dat het boek raadgevingen over de moderne vorm van schaak moet hebben bevat, maar zijn argumenten, die ik in deze beperkte ruimte niet kan navertellen, laten, hoe spitsvondig ze ook zijn, plaats open voor tegenspraak.

Ik weet niet zeker of het waar is dat het moderne schaak ontstaan is in literaire kringen in Valencia, zoals Calvo meent. Wel is het onomstreden dat de spelers van de eerste opgetekende moderne schaakpartij, in een Catalaans manuscript uit het laatste deel van de vijftiende eeuw, uit deze kringen afkomstig waren. Hier is hij, de eerste moderne schaakpartij.

Rood: Francesc de Castellvi - groen: Narcis Vinyoles, genoemd 'Lo magnifich'. (De racistische gewoonte om altijd en eeuwig wit tegen zwart te laten beginnen is afkomstig uit de 19de eeuw)

1. e2-e4 d7-d5 2. e4xd5 Dd8xd5 3. Pb1-c3 Dd5-d8 4. Lf1-c4 Pg8-f6 5. Pg1-f3 Lc8-g4 6. h2-h3 Lg4xf3 7. Dd1xf3 e7-e6 8. Df3xb7 Pb8-d7 9. Pc3-b5 Ta8-c8 10. Pb5xa7 Pd7-b6 11. Pa7xc8 Pb6xc8 12. d2-d4 Pc8-d6 13. Lc4-b5+ Pd6xb5 14. Db7xb5+ Pf6-d7 15. d4-d5 e6xd5 16. Lc1-e3 Lf8-d6 17. Ta1-d1 Dd8-f6 18. Td1xd5 Df6-g6 19. Le3-f4

$schaak

++++K++T

++PS+PPP

+++L++D+

+d+t++++

+++++l++

+++++++p

ppp++pp+

++++k++t

x

19...Ld6xf4 20. Db5xd7+ Ke8-f8 21. Dd7-d8 mat.

Er is hier een raadsel waar Calvo een overtuigend antwoord op geeft. Waarom speelde de magnifieke Vinyoles zo zwak? Groens zevende en vooral zijn negentiende zet lijken blunders. Het komt doordat de partij waarschijnlijk niet echt gespeeld was, maar verzonnen. De partij was een illustratie van een allegorisch gedicht van 64 strofen, die beurtelings de spelers en de scheidsrechter, de abt Bernat Fenollar, in de mond werden gelegd. Castellvi was Mars, Vinyoles was Venus en scheidsrechter Fenollar was Mercurius. De zetten waren bewegingen in een liefdesspel waarmee Mars de lieflijke Venus wilde veroveren. Met haar schijnbaar zwakke, maar in werkelijkheid uiterst listige negentiende zet, hielp Venus een handje om de verleidingspoging tot een spoedig en gelukkig resultaat te voeren.