Wie in riviergebied gaat wonen moet rekenen met overstromingen

Moeten de natte Limburgers zelf voor de kosten van de overstroming opdraaien? Of moet het rijk de financiële gevolgen van de 'nationale ramp' dragen? Het wordt waarschijnlijk iets ertussenin.

Minister Kok (Financiën) heeft al toegezegd de slachtoffers een eind tegemoet te komen, terwijl Limburgse bedrijven in bespreking zijn met minister Andriessen (Economische zaken) om faillissementen te voorkomen. Daarnaast doen de media hun best het leed in beeld te brengen, opdat het rampenfonds gevuld raakt. Nederland is, net als in 1953, solidair met de slachtoffers.

Maar er zijn grote verschillen met 1953. Toen waren er meer dan 1800 doden, nu kregen de mensen natte voeten. Toen werden hele dorpen weggevaagd, nu klagen huisbezitters over bedorven parket en elektronica die het niet meer doet. Het predikaat 'nationale ramp' lijkt mij bij de wateroverlast in Limburg daarom misplaatst.

Een overeenkomst met 1953 is wel dat de schuldvraag niet gesteld wordt. Vijf ministers en een flink deel van volksvertegenwoordiging zijn naar het verdronken Limburg afgereisd en hebben in de media hun medeleven betuigd. Maar wat zij nog niet hebben gedaan is een onderzoek gelasten naar de vraag hoe al die nieuwbouwwijken, villa's en sporthallen op die laaggelegen delen gebouwd hebben kunnen worden. Welke overheden zijn verantwoordelijk geweest voor het afgeven van bouwvergunningen? En zullen deze overheden in de toekomst gewoon doorgaan met het afgeven van nieuwe vergunningen?

De Limburgse overstroming van afgelopen kerstmis zal waarschijnlijk wel het eeuwrecord halen voor wat betreft de afvoer van de hoeveelheid water. Ook de waterstand van de Maas was uitzonderlijk hoog. Maar viel deze hoogte nu werkelijk buiten alle verwachtingen? Het antwoord is nee: dergelijke waterstanden komen enkele malen per eeuw voor.

Wonen aan een rivier heeft zijn voordelen, maar kent ook risico's. Alle bergrivieren treden nu eenmaal regelmatig buiten hun oevers. Wat de Maas betreft lagen 1980 en 1984 nog vers in het geheugen. Veel Maasdalbewoners hebben de rivier toen vlak bij hun woning zien komen, de rivier was toen 40 centimeter lager dan nu. Maar hoger nog was de overstroming van 1926 die in Maastricht zelfs een meter hoger kwam dan afgelopen kerstmis. Nadien is het rivierbed enigszins verlaagd en verbreed, zodat de rivier de aanvoer beter aankan. Maar deze overstroming kwam werkelijk niet onverwacht. Toen een meelijwekkende vrouw op het televisiejournaal tegen minister Dales zei: “Dit is toch niet normaal?”, antwoordde de minister ferm: “Dit is ook niet normaal!” Minder toepasselijk in de situatie maar wel correcter is het antwoord: “Ik moet u helaas tegenspreken mevrouw, enkele keren per eeuw is dit wel normaal”.

Wie in het verleden nabij een bergrivier ging wonen, deed dat op eigen risico. De benedenverdieping werd voorzien van plavuizen, er was een brede trap om de kwetsbare bezittingen naar boven te dragen en als er een piano was, stond die op een verdieping. Mensen die zich op deze wijze op een overstroming voorbereid hadden, waren er ook nu. Zij hebben hun huis dan ook weer grotendeels op orde.

Heel anders ging het toe bij veel bezitters van nieuwbouwhuizen, die 'nietsvermoedend' parket lieten leggen, dure apparatuur installeerden en zware meubelen in hun huis zetten. Zij hebben aanzienlijke schade geleden en zijn nu voor tegemoetkoming van de kosten afhankelijk van de hoogte van het rampenfonds. Maar is die schade niet ook hun eigen schuld? Was de grond van hun nieuwbouwwoning eigenlijk niet veel te goedkoop? En als de rijksoverheid de schade vergoedt, wordt daarmee dan niet hun 'onwetendheid' beloond? Moet het rijk een volgend keer weer voor de schade opdraaien? Of is het schandelijk om deze vragen te stellen en is de wateroverlast de schuld van de overheid die hiervoor de bouwvergunning verstrekte? De ministers en de Kamerleden hebben uitgebreid hun medeleven betoond, maar dergelijke vragen heb ik niet gehoord, laat staan de antwoorden.

Wat de getroffen bedrijven betreft het volgende. Veehouders die in staat zijn hun vee tijdig in veiligheid te brengen, kunnen zeker op de lage gronden blijven boeren. De kosten van een overstroming eens in de zoveel jaar kunnen zij afwegen tegen hun bedrijfsresultaat. Anders ligt dat met de rozenkwekers en glastuinders die hun kassen en apparatuur zo beschadigd zien dat zonder hulp voortzetting niet meer mogelijk is. Solidariteit met getroffenen is iets moois, maar men kan zich ook openlijk afvragen of voortzetting van dergelijke bedrijven op zulke laaggelegen plaatsen wel zinvol is.

De voortvarendheid van minister Maij-Weggen om een nieuwe commissie-Boertien in te stellen valt te prijzen. Deze commissie zal zich echter alleen bezig houden met de waterstaatkundige aanpassingen van de Maas. Maar wat ook moet gebeuren is de nieuwbouw in het Maasdal beteugelen, opdat over twintig jaar niet het rampenfonds opnieuw moet opdraaien voor de kortzichtigheid van de lokale bestuurders.

Laat rampenfonds over twintig jaar niet opnieuw opdraaien voor kortzichtigheid van bestuurders die te gemakkelijk bouwvergunningen afgaven