Wat een dag

Toon Tellegen, Bijna iedereen kon omvallen. Met tekeningen van Anne van Buul. Uitg. Querido. ƒ 22,90. Vanaf 9 jaar.

Toon Tellegen publiceerde in 1984 zijn eerste kinderboek en acht jaar later had hij al zo'n beetje alles gewonnen wat in Nederland te winnen valt op kinderboekengebied: een Gouden en een Zilveren Griffel (voor twee bundels met dierenverhalen, respectievelijk Toen niemand iets te doen had en Langzaam, zo snel als zij konden) en de Libris Woutertje Pieterse prijs voor zijn boek over de meest weerzinwekkende schooljuffrouw die je je kunt voorstellen, Juffrouw Kachel.

Ongetwijfeld staat Tellegen, die overigens voor zijn dichtbundel De dansschool enkele weken terug nog werd gelauwerd met de Jan-Campertprijs, nog meer moois te wachten, maar op de Prijs van de Nederlandse Kinderjury maakt hij vooralsnog weinig kans. Want hij schrijft niet bepaald het soort boeken dat bij kinderen (en die vormen met vele duizenden tegelijk de Kinderjury) gemakkelijk scoort. Zijn oeuvre, waarin de dierenverhalen de belangrijkste plaats innemen, wordt vaak gekarakteriseerd als filosofisch: het vertelt ons meer over denkwijzen, over het oplossen van niet-alledaagse problemen of juist over de onmogelijkheid daarvan dan over de personages die erin voorkomen of over wat ze beleven. Gebeurtenissen, avonturen voor mijn part, zijn er bij Tellegen wel, maar dan in de gedaante van absolute non-events: veel van zijn dierenverhalen zijn op het eerste gezicht zo pointeloos als maar kan, en na afloop kun je het gevoel krijgen dat niemand ook maar iets is opgeschoten, de dierpersonages niet, maar ook de lezer niet.

Wie houdt van de verhalen van Tellegen, of liever, wie er 'ontvankelijk' voor is, zal ze eerder als subtiel karakteriseren: achter de gebeurtenissen die ogenschijnlijk tot niets leiden, vindt een minieme verschuiving plaats. Ook al is er iets niet gelukt of gaat er iets niet door, ook al is het probleem waarover wordt gediscussieerd in de verste verte niet opgelost en ziet het er niet naar uit dat het ooit opgelost zal worden, dan nòg kunnen de eekhoorn, de olifant of wie dan ook, aan het slot van zo'n verhaal zich tevreden achter het oor krabben of met een voldaan gevoel in bed stappen. Of, zoals de mier, die in Tellegens nieuwe bundel Bijna iedereen kon omvallen drie pogingen onderneemt om op reis te gaan en vervolgens besluit om er toch maar van af te zien, verzucht: “Wat een dag.”

In Bijna iedereen kon omvallen (Tellegen heeft zo langzamerhand het patent op wonderlijke, moeilijk uit te spreken titels) staat ook een verhaal over een neushoorn die niet weet wat hij voor zijn verjaardag moet vragen. Hij wendt zich tot de krekel, die een winkel in verlanglijsten drijft en hem, behalve een grastaart, adviseert 'van alles' te vragen. Wat dat is weet niemand, maar dat is juist spannend. De neushoorn volgt het advies op, en, zo besluit het verhaal, 'een week later, op zijn verjaardag, kreeg hij een grastaart met distels van de krekel, en van de andere dieren van alles, waar hij heel blij mee was.' Met andere woorden, we weten nog altijd niet wat 'van alles' is. maar toch zijn we iets wijzer geworden: met 'van alles' kun je in ieder geval heel blij zijn.

Er gebeurt weinig in deze verhalen, en toch is er, inderdaad, van alles mogelijk. Vooral de olifant, in Tellegens vorige boek Jannes al meer dan prominent aanwezig, ontpopt zich als een veelzijdig dier: hij belandt na een val van een wolk op de bodem van het water, in het huis van de waterslak. In een ander verhaal smelt hij en verandert tijdelijk in een kabbelend beekje, en in weer een ander verhaal vliegt hij moeiteloos door een spinneweb. En de zon kun je in een doosje proppen, net als een avond of een verjaardag. Maar het is Toon Tellegen nooit te doen om dit soort absurditeiten, het is eerder of ze toevallig in hem opkwamen en alsof hij dacht: een smeltende olifant, ja, waarom eigenlijk niet? Effectbejag is hem vreemd.

Tellegens verhalen worden nogal eens als ontoegankelijk gekenschetst, maar dat wil niet zeggen dat ze voor kinderen moeilijk te volgen zijn. Ze zijn ook niet zwaar in de zin van somber of nadrukkelijk diepzinnig, en de toon is juist nogal luchtig. Maar voor wie behoefte heeft aan een duidelijk afgerond verhaal waarin alles ordentelijk wordt opgelost - en dat geldt, vermoedelijk, voor veel kinderen - zijn boeken als Bijna iedereen kon omvallen tamelijk zware kost, althans als je veel verhalen achter elkaar leest. Het is een boek om mondjesmaat tot je te nemen, en dan nog zal het niet aan iedereen besteed zijn. Dat is het waarschijnlijk alleen als je kunt glimlachen om zinnen als “Weet jij eigenlijk wel zeker dat je een schildpad bent, schildpad?” of om “Zou dit nu een verloren dag zijn? dacht hij” of om “O ja, dat is waar ook. Ik was vergeten dat ik haast heb.'