VRIENDSCHAP

Ik kon maar niet begrijpen waarom G. in alles beter was. Zijn vader was onderwijzer, de mijne ook. We woonden in dezelfde straat, in vergelijkbare huizen, en we hadden dezelfde grote voortanden in een pas gewisseld melkgebit. Dat G. een creool was maakte weinig uit. Hij was volledig opgenomen in mijn familie, als een soort vijfde kind. Hij at en dronk samen met ons en bleef tot laat in de avond in mijn kamer spelen, tot zijn moeder hem met krachtige stem voor de tiende keer riep en er een ernstig dreigement op liet volgen. Op hindoe-feestdagen trok G. een wit hemd aan en vouwde braaf de handen tijdens het gebed. 's Zondags ging hij mee naar de bioscoop, hij kende de Indiase filmsterren bij naam en kon de liedjes nazingen. Zuiverder dan ik.

G. kon harder rennen, mooier tekenen, sneller fietsen, hoger klimmen, luider schreeuwen, sierlijker dansen, slimmer liegen. Hij was sterker, charmanter en vrijpostiger. De spelletjes die hij bedacht waren leuker, hij won alle weddenschappen en meestal ook de vechtpartijen. Althans, hij ging ze niet zo bangelijk uit de weg als ik. Zo wees hij me onbewust steeds weer op mijn lafheid.

Hij was twee jaar jonger, maar in alle opzichten mijn meerdere. Ik zat op een hindoestaanse school, midden in een creoolse volksbuurt. Als de school uitging was het spitsroeden lopen in de wijk; onze zakcenten werden afgepakt, de schooltassen in de sloot gegooid en er werd zand in ons haar gestrooid, omdat dat zo mooi plakte op de kokosolie. Behalve als hij er was. Hij moest wel een flink eind omlopen als hij van zijn school eerst langs de mijne moest, maar met hem in de buurt gebeurde mij niks. Niet omdat hij groter was dan de creoolse kwajongens die zich met ons vermaakten, maar omdat hij zo'n zelfverzekerde, brutale smoel kon opzetten.

G. was de wandelende weerlegging van de gedachte dat wij gelijk worden geboren en dat alle onderscheid wordt veroorzaakt door opvoeding. Dat verhaal is als troost bedacht voor lieden als ik. Want hoewel ik niet helemaal talentloos was, was ik ten opzichte van zijn voorlijkheid wel een beetje achterlijk. Als ik G. trots een vies woordje leerde, haalde hij uit zijn zak een vies plaatje. Als ik hem vertelde dat ik een sigaret bij me had, toverde hij een joint te voorschijn. Als ik met een rijksdaalder aankwam nam hij die van me af, speelde ergens een dobbelspelletje en gaf mij er vier terug.

Het is het op een na grootste mysterie van het leven: waarom de verschillen in aanleg, stijl, moed, temperament en karakter tussen mensen zo groot zijn. Waarom God geen communist is.

Maar ik had iets wat G. miste: de neiging tot conformisme. En G. had iets wat bij mij ontbrak: een instinct tot zelfvernietiging. Het is heel snel gegaan. Ik verhuisde naar een andere straat, en hij werd van het atheneum gestuurd, omdat hij niet één voldoende op zijn rapport had staan. Hoe hij dat had klaar gespeeld was me een raadsel. Hij kwam op de mulo terecht, en daarna op een andere, voor moeilijk opvoedbaren. G.! Het was alsof alleen ik wist hoe begaafd hij was. Als hij bij mij kwam, bladerde hij in mijn boeken, loste een wiskunde-opgave voor me op en won vervolgens een damspel. Moeiteloos. Maar van zijn treurende moeder hoorde ik dat hij op school met alles bezig was behalve met de les en dat hij een proefwerkblaadje had ingeleverd dat was volgekrabbeld met mijn naam. Hij was bezig een handtekening voor mij te ontwerpen. Eens werd hij door de politie thuis gebracht, omdat hij alle wiel- en tankdoppen van de auto's van de onderwijzers had losgeschroefd en in een waterput gegooid. Dat was niet ondeugend, maar kwaadaardig. De familie besloot naar Nederland te vertrekken. Daar zou het beter met hem gaan, dachten ze. Maar het ging juist slechter.

Toen ik vier jaar na hem in Nederland aankwam, was G. een hoofd groter en definitief van school. Hij had een leraar een mep in het gezicht gegeven omdat die een racistische opmerking had gemaakt en op een volgende school de arm van een medeleerling bijna gebroken, omdat die na een verloren dobbelspel het geld niet had willen afstaan.

G. was veranderd. Hij was altijd al stoer geweest, en stijlvol, maar daarnaast ook innemend en opgewekt. Nu was hij alleen nog maar stoer, op een angstaanjagende manier. Een boze zwarte jongen die alle platen van blanke zangers uit het raam gooide en alleen nog luisterde naar James Brown en Otis Redding. In alles werd hij radicaal. Hij vond mijn winterjas afschuwelijk, dus nam hij me mee in een taxi en zei: 'Parijs''. De chauffeur wilde kwaad omkijken, maar begon te rijden toen G. een bundel briefjes van honderd in zijn borstzak stopte. G. deed in verdovende middelen. Iedereen in zijn familie scheen het te weten, maar hij maakte ze allemaal medeplichtig door ze te overladen met dure cadeaus. Nu was het dus mijn beurt, en ik bedankte. Ergens in Utrecht stapte ik uit, meer uit paniek dan uit rechtschapenheid, maar daarom, denk ik achteraf, is mijn relatie met hem duurzamer gebleken. In Utrecht nam ik de trein naar Amsterdam, piekerend over een onoplosbaar raadsel: welke verwoestende kracht in deze jongen woedde en waarom hij zich er niet tegen kon verweren.

G. heeft me sindsdien erg op de proef gesteld. Hij leende geld dat hij nooit teruggaf. Hij nam, toen hij een nachtje bij me doorbracht, mijn televisietoestel mee, omdat hij een beginkapitaaltje nodig had voor een deal, zoals hij op het briefje dat hij achterliet schreef. Een keer moest ik voor de rechter verschijnen, wegens heroïne-gebruik in de metro. De rechter vroeg, toen ik beweerde dat het allemaal op een misverstand moest berusten, hoe het kwam dat alle gegevens klopten: al mijn voornamen, mijn geboortedatum en mijn postcode. En hoe ik kon verklaren dat zelfs mijn handtekening op het procesverbaal overeenkwam. Ik bleef het antwoord schuldig.

G. belt me nu alleen op als hij in de gevangenis zit. Hij is in de loop der tijd almaar gewelddadiger geworden. Hij sleurde een man uit een auto en ging er mee vandoor, omdat hij die ochtend 'haast'' had. Hij sloeg iemand neer tijdens een beroving - eigen schuld, vond hij, de man had kunnen zien dat hij veel sterker èn wanhopig was.

Als ik tegenover hem zit, tijdens de bezoekuren, kijken we zwijgend langs elkaar heen en roken we overdreven veel sigaretten. Over de redenen van zijn straf wil hij niet praten. Op dezelfde strenge, dominante manier als altijd belooft hij mij dat hij zijn leven zal beteren en stuurt me dan naar huis.

Ik zie hem aftakelen, maar ik blijf zijn boetes betalen, opdat hij met de kerstdagen thuis kan zijn, al weet ik dat hij daar niet naartoe zal gaan. Zijn familie heeft hem opgegeven, zegt hij. Daarom koop ik ondergoed en trainingspakken voor hem, waarop hij zuurtjes vraagt sinds wanneer ik vergeten ben dat paars hem niet staat. Laatst wilde hij een badjas en deodorant. Wat hij daarmee in de bajes moest begreep ik niet. Hij wil weten hoe ver hij kan gaan. Voor hem is het een mysterie waarom ik hem trouw blijf, en waarom het verschil tussen hem en mij zo gigantisch is. Maar een nog groter mysterie is misschien waarom ik hem niet opgeef. Waarom ik van hem hou, ondanks het verschil.