VOORVALLEN IN DE WILDERNIS

Voorpublikatie uit 'Voorvallen in de wildernis' van Armando, dat komend voorjaar bij De Bezige Bij verschijnt.

De lift

Ik stond een paar maal per dag in de hal van het hotel op de lift te wachten.

Het was een hotel met vijf en veertig verdiepingen, dus ik ontkwam niet aan de lift. Er waren drie liften, ze stegen en daalden naast elkaar. Boven elke liftdeur was door middel van een lichtje aangegeven op welke verdieping de lift zich bevond, zodat ze op hun tocht te volgen waren. Zoals gezegd, een paar maal per dag stond ik voor de drie liften te kijken, in afwachting van een van de drie, tot ik ineens, het was de vijfde of zesde dag, begreep wat zich daar in de schachten, waar de liften woonden, afspeelde.

Kijk, die liften worden er ook maar op uitgestuurd, die vervelen zich en wat doen ze als ze zich vervelen: ze gaan streken uithalen. Heb je dat nooit gemerkt? Hij stopt, omdat je op een knop hebt gedrukt, hij opent z'n deuren, je wilt naar binnengaan en op hetzelfde moment slaat ie de deur voor je neus dicht. Hij gehoorzaamt wel, maar hij haalt streken uit.

En ik zag nog wat. Ik zag dat ze een spelletje deden. Ze deden eerst wie het snelst beneden was als daar door een hotelgast op de knop gedrukt was. Maar twee van de drie liften hadden al gauw gemerkt dat de derde lift een domoor was. Ze maakten 'm wijs dat het erom ging wie het eerst beneden was, maar onderweg zeiden ze dan weer dat het erom ging wie het laatst beneden was, zodat de domme lift nooit wist waar hij aan toe was, hij raakte ernstig in de war, wat duidelijk te merken was aan de lichtjes boven de liftdeuren: hij steeg en daalde in het wilde weg.

Geloof maar dat er daar in die schachten heel wat geruzied en gelachen is, geloof dat maar. Ja, ik had ze in de gaten.

Je begrijpt dat het nogal wat tijd in beslag nam voor er een lift beneden was, maar de hotelgasten hadden niet in de gaten wat zich achter de deuren afspeelde. Die werden ongeduldig en klakten met hun tong, omdat het zo lang duurde voordat de liften beneden waren. Eén man trok zelfs uit verveling een knoop van z'n jas.

Dit voorval met de drie liften, het gebeurde in Chicago, deed me denken aan m'n eigen lift, thuis zogezegd.

Ik steek de sleutel in het slot, open de buitendeur, betreed de hal, beklim zeven treden en sta voor de lift die mij naar de vierde verdieping zal brengen.

De lift is er niet.

De lift is er bijna nooit. Hij is altijd boven bezig, ofschoon er slechts vier verdiepingen zijn. Ik druk dus op de knop die de lift beveelt om naar beneden te komen. Hij zal nu wel komen. Waarom is ie er nooit als ik 'm nodig heb.

Ik heb es opgelet: gemiddeld was ie twee van de twaalf keer dat ik 'm nodig had, beneden.

Om de ongelovige omstanders te bewijzen dat de dingen mij tegenwerken, ben ik het een en ander schriftelijk vast gaan leggen, ben ik naar eer en geweten gaan turven. Wel verdomme, hij is er nu drie van de vijf keer, hij slooft zich uit. Zie je, hier wordt een spelletje gespeeld.

Soms krijg ik wel es genoeg van de wil der dingen.

De klok

Ik zag de klok op het station, terloops keek ik naar 'm. De trein zou om zestien uur vier en veertig vertrekken. Er stonden slechts een paar mensen op het perron, want het was zaterdag en het begon al aardig donker te worden. Een stem riep om dat de trein over enkele minuten zou binnenkomen. Het was dus nog geen zestien uur vier en veertig.

De klok had vast niet in de gaten dat ik naar 'm keek, want ik zag dat ie stiekem een minuut oversloeg. Dat zag ik.

Ik begreep 'm wel: hij wilde zo snel mogelijk naar de vier en veertig toe. Dan zou ie immers pas echt belangrijk worden. Hij verlangde naar het moment dat alles van hem, de klok, afhing.

Zo rekt de klok z'n leven. Steeds verlangend naar de beloofde minuut. Dan vertrekt de trein en de klok blijft eenzaam en onopgemerkt achter, veel eenzamer dan de persoon die de trein net niet heeft gehaald.

Ik zal niet zeggen waar, in welk station, op welk perron de klok hing, welke klok het was. Dat zeg ik liever niet. Ik wil niet dat ie bestraft wordt. Het was natuurlijk niet goed wat ie deed, maar wel begrijpelijk. Het was een klok met geldingsdrang.

Gruzelementen

Het lijkt alsof de dingen, de voorwerpen, wel degelijk een doel in hun lange leven hebben: ze willen vallen. Als het enigszins kan, vallen ze. Ze onderwerpen zich met welbehagen aan de zwaartekracht. De zwaartekracht is ze de baas, niet de mens.

Omvallen doen ze ook graag, maar de ervaring leert dat vallen, op de grond vallen, hun lust en hun leven is. En als ze dan eenmaal liggen, proberen ze zich dusdanig onvindbaar te maken, dat men zich een ongeluk zoekt.

Het allerliefst begeven ze zich in het rijk der gruzelementen. Ze willen in gruzelementen vallen, gruzelementen.

Hoe dikwijls men bukken moet. Door toedoen van de vermaledijde zwaartekracht ziet men zich steeds weer genoodzaakt om de gevallen voorwerpen op te rapen.

Wat zou er gebeuren als we samen zouden besluiten niets meer op te rapen en zodoende de zwaartekracht te negeren. Zou de zwaartekracht bakzeil halen? Welnee, de voorwerpen zouden gewoon blijven liggen, ten eeuwigen dage. Zo zijn de wetten.

Goed, ze vallen graag, de dingen, de voorwerpen. Mooi. Dan gaan we ze een eindje op weg helpen door bijvoorbeeld een klein voorwerp op de tafel te gooien, waar het thuishoort. Nee, het voorwerp wil niet vallen zoals wij het willen, het valt er bij voorkeur naast. Of het rolt er af.

En wat denk je van het raam dat kapotsloeg. Het raam stond los, niet op een haakje of zoiets, want er was nauwelijks wind. Een briesje liet het raam nauwelijks merkbaar bewegen. Maar na een paar kleine, naar later bleek, schijnbewegingen, liet de wind het raam zo hard tegen de kozijnen knallen dat het stuksloeg. Overal lag glas op de grond. Glassplinters. Gruzelementen.

Ik zag wat anderen niet zagen. Ik heb het raam gadegeslagen. Het raam maakte gebruik van de wind om z'n doel te bereiken: het wilde met alle geweld kapot. Het raam had niet in de gaten dat ik het zag. Anders was het vast niet gebeurd. Had ie het niet gedurfd.

De veldslag

Ik loop en ik kijk, ik kijk en ik loop, ik zie veel, misschien meer dan menig ander, maar ik ben eerlijk gezegd te onrustig om nauwkeurig te kijken. Behalve als ik door omstandigheden in de gelegenheid ben om langer te kijken dan me lief is, als ik ergens stil moet staan, als ik bijvoorbeeld op iemand sta te wachten. En dan gebeurt er iets eigenaardigs. Waar het ook is en wat ik ook zie, plotseling is alles en alles adembenemend, want ik zie de wil der dingen.

Gelukkig gebeurt zoiets niet al te vaak, want het leidt zo af.

Weet je wat ik graag zou willen meemaken? Dat ik op iemand sta te wachten, dit keer in een landschap op een heuveltje bij een dal, en ineens zie ik dat er van beide kanten duizenden soldaten komen aanrennen en voor ik het weet ben ik getuige van een befaamde veldslag, die uitvoerig in de boeken beschreven staat. Wel heb ik ooit. Nee, ik heb nog nooit zoiets meegemaakt, je kunt niet iets meemaken wat allang gebeurd is, dat weet ik ook wel. Wat ik wel kan meemaken is het gevecht der planten of het gevecht der takken. Dat is mogelijk. Heb ik vaak meegemaakt.

Door een verrekijker bekeek hij het krijgsgewoel. Hij zag de veldslag van buiten en van binnen. Toen maakte hij dat hij wegkwam, want hij had taferelen gezien die hij nooit van z'n leven verder kon vertellen. Ze zouden hem niet geloven.

De wil der dingen

De samenzwering der dingen, dat is de enige vorm van samenzwering die geldt. Niet die van de mensen.

Er zijn mensen die lijden aan een samenzweringssyndroom. Die zien overal een samenzwering in. Laat je niets wijsmaken. Samenzweringen door mensen komen zelden voor. Mensen zijn er veel te loslippig en praatgraag voor. De paar samenzweringen die in de geschiedenis van het mensdom voorkwamen, zijn de geleerden bekend, ze hebben er weet van, en dat bewijst al genoeg.

Maar van de samenzwering der dingen weet men niets. Laat staan van de wil der dingen. Men is zich nog niet bewust van de wil der dingen. Men heeft het nog niet herkend. Ik wel.

Ziehier een tasje met reisbenodigdheden. Het kleine voorwerp dat ik zoek, een schaartje, moet zich in dit tasje bevinden. In zo'n geval opent men de ritssluiting van het tasje, zodat men met een oogopslag kan overzien wat er zoal in het tasje zit. Ofschoon het tasje, dat spreekt vanzelf, van geringe afmetingen is, kan men toch met één oogopslag menig voorwerpje zien liggen. Maar nee, het gezochte voorwerp, het schaartje dus, is niet te zien, het vertoont zich niet.

Toch moet er het erin zitten. Hoe men ook kijkt, het is er niet.

Pas na lang woelen dient het zich aan. Zie je, het had zich verscholen. Weer zo iemand die zich verscholen heeft.

Het ligt voor de hand dat men tijdens het woelen ongeduldig wordt, dat men korzelig wordt. Dat lijkt me niet juist. Men kan beter niet kwaad en ongeduldig worden. Het heeft geen zin zich op te winden over de wil der dingen.

Opzij van het zware, donkerrode gordijn hangen twee koorden: een voor het opentrekken en een ander voor het dichttrekken. Ze zien er hetzelfde uit. Als men iets aan de stand van het gordijn wil veranderen, moet men dus aan een van de twee koorden trekken.

Welke.

Men moet dus op goed geluk trekken. Het zal duidelijk zijn dat men steeds aan het verkeerde koord trekt. Naar ruwe schatting gaat het een op de tien keer goed.

Het achterbakse gedrag der koorden is haast vernederend. Ik weet dat je ze vaak vervloekt, maar je kunt beter niks laten merken, hebben ze er ook geen plezier van.

Of het kartonnen schuifdoosje. Het moet uit z'n omhulsel geschoven worden om het gezochte voorwerp eruit te kunnen halen.

Goed. Men haalt het voorwerpje, een gemeen steentje bijvoorbeeld, eruit en men wil het weer in z'n omhulsel schuiven. Maar nee hoor, hij wil niet.

Schiet nou toch op. Ik heb geen tijd voor die onzin.

Hèhè, eindelijk.

Waarom doe ik die onderste knoop van m'n jasje eigenlijk niet dicht. Ja, waarom eigenlijk niet.

Maar nou es wat anders: wil die knoop dat zelf wel. Nee. Hij viel er meteen af toen ik 'm dicht wilde doen.

Ik wilde een papiersnipper in de prullenmand gooien, ik mikte zorgvuldig, maar het mislukte, hij ontglipte m'n vingers al tijdens het mikken. Toch kwam hij, de snipper, aarzelend en zwenkend weliswaar, in de prullenmand terecht, alsof hij wilde bewijzen dat hij mij niet nodig had, dat hij zelf, papiersnipper zijnde, de prullenmand wel kon vinden. Hé, dacht ik, de dingen zijn gewillig, hoe bestaat het.

Op hetzelfde moment viel zonder enige reden de schaar van de kast, met de punt op m'n voet.

Zie je: de wil der dingen.

Op tafel liggen vijf boeken en twee kranten. Men weet dat ergens onder een van die boeken en kranten een potlood ligt. Men tilt ze een voor een op. Het gezochte potlood ligt onder de laatste krant, nadat alle boeken opgetild zijn.

Het is een schande, maar men moet zich erbij neerleggen.

De dingen verzetten zich dus, maar ik ben niet van plan ze te geselen of zo. Welnee. Ik verbaas me en ik scheld ze soms uit. Kennelijk begrijp ik nog steeds niet waarom de dingen mij zo tegenwerken.

Wist ik dan niet dat de dingen en de wezens niets met elkaar te maken willen hebben, dat ze met elkaar op voet van oorlog staan?

Nu ik de wil der dingen onthuld heb, kan ik de wraak der dingen verwachten.

De dingen hebben niet graag dat ik over ze praat. En jawel hoor, de laatste tijd zit ik meer dan ooit onder hun juk.

Het gebeurde in de dagen dat ik over de wil der dingen schreef.

Ik mompelde: Goh, wat heb ik m'n horloge eigenlijk al lang, zeker meer dan twintig jaar, het heeft me nog nooit in de steek gelaten, ik weet nog precies waar ik het gekocht heb.

Diezelfde avond stond het stil, wat ik haast verontrustend vond.

De volgende ochtend heb ik 'm toch maar om m'n pols gedaan, want ik was nu eenmaal aan 'm gewend. Hij deed het nog steeds niet.

Zojuist is ie weer gaan tikken.

Ik geloof niet dat ik nog verder hoef uit te weiden over de wil der dingen.