Vier lange tanden met een krulletje; De geschiedenis van het zilversmidbedrijf Helweg

Barend J. van Benthem: Twee eeuwen tafelzilver, de Amsterdamse zilversmeden Helweg 1753-1965. Uitg. Waanders Uitgevers, 270 pagina's. Prijs ƒ 89,50.

Ze vormen een indrukwekkende stamboom: vijf generaties Helweg, gedurende ruim twee eeuwen zilversmeden in Amsterdam. Ambachtelijke kennis en tradities, gereedschappen en ontwerpen gingen van vader op zoons over. In één geval ook van moeder op zoon, want toen de echtgenote van Hendrik Helweg na zijn vroege dood in 1858 met vijf jonge kinderen achterbleef, zette zij zeventien jaar lang het familiebedrijf voort totdat haar oudste zoon de leiding overnam. In de deze zomer verschenen publikatie over de familie Helweg is het portret afgebeeld dat Hart Nibbrig in 1890 van de weduwe schilderde. Het toont een tachtigjarige dame met wie waarschijnlijk niet te spotten valt.

Toen de eerste Helweg, Jacobus, in 1753 zijn atelier begon, waren de eetgewoonten al 'geëvolueerd' tot die wij nu kennen. Het voedsel werd niet meer tegelijk op tafel gezet, maar in verschillende 'gangen' opgediend, de vork was, overigens nog niet zo lang, ingeburgerd en gasten brachten niet meer hun eigen bestek mee, maar kregen van de gastheer en gastvrouw ieder identiek bestek. Aanvankelijk was dat niet veel meer dan een grote lepel en vork, type tafelcouvert, en een min of meer bijpassend mes. Lepels hadden een puntig toelopende bak, vorken vier lange tanden. Later in de achttiende eeuw raken komkommer- en gemberbestekjes in zwang. Aparte viscouverts dateren uit de tijd omstreeks 1900 en dan gaat het snel. De verscheidenheid aan speciaal tafelgerei wordt absurd groot. In Van Benthems boek worden kroket- en aspergescheppen afgewisseld met bouillon- en kwastlepels, kaviaarschepjes, oester- en kreeftvorken en spiegeleischeppen. Helaas ontbreekt een foto van een cayennepeperlepel, typisch een cadeautje voor iemand die àlles al heeft. De Helwegs leverden dit zilver onder meer aan juwelier Bonebakker in Amsterdam en Begeer in Utrecht, maar ook rechtstreeks aan vermogende particulieren.

Al die vorken en lepels (messen behoren strikt genomen niet tot tafelzilver: de fabricage ervan is een apart specialisme) vallen in de categorie 'flatware', omdat ze plat op tafel liggen. Het zogenaamde hollow ware vereist andere technieken, zoals solderen. Twee Helweg-afstammelingen kozen in de vorige eeuw voor dit volumineuzer zilver. Van Benthem heeft ook die theepotten, inktstellen en dergelijke afgebeeld, maar de nadruk valt op het tafelzilver in engere zin.

Aan de hand van bijna 400 illustraties van bestek, reclamemateriaal en werktekeningen komen de facetten van het smidsbedrijf aan de orde: meestertekens, zilvergehalte, het eigenlijke smeden, veel decoraties en afwerkingen. Van Benthem behandelt de lijsten of 'filets' aan de steelranden, de varianten in de stelen en uiteraard de 'lofjes', de versiering aan de achterzijde waar de steel in het vork- of lepeldeel overgaat. Met de duidelijke uitleg van de auteur in het achterhoofd kan een aspirant-koper op een veiling (waar betrekkelijk vaak Helwegzilver te zien is) onmiddellijk een gebogen spadel, schelp, lijsten, vleugel en gotisch knopje herkennen. Een precieze datering is minder makkelijk te geven. In de jaren twintig leverde de firma weliswaar het model Eisenlöffel, maar een klassiek ornament, bijvoorbeeld een Louis XV krulletje, is nooit van het repertoire genomen. Het toch vrij kostbare zilver leent zich niet goed voor een extravagante en modieuze vormgeving.

De monografie over dit zilverbedrijf laat weinig zaken onvermeld. We worden ingelicht over de vracht- en assurantiepenningen die in 1889 verschuldigd waren toen een uitgebreide cassette naar Batavia werd verscheept (ƒ 21,90), maar ook over de kunstenaars die in de loop van de jaren een deel van de bedrijfswoning 'onderhuurden'. Een van hen was Jozef Israëls, voor wiens larmoyante schilderij Langs moeders graf drie leden van de Helwegfamilie model stonden.

De crisisjaren voor 1940 en de jaren daarna waren voor een bedrijf dat het van koopkrachtige klanten moet hebben, moeilijk. Bovendien werd de concurrentie van goedkoper, fabriekmatig gemaakt zilver steeds scherper. De laatste grote opdracht plaatste in de jaren vijftig het provinciebestuur van Gelderland. Voor het nieuw gebouwde Provinciehuis in Arnhem werd een cassette gemaakt, voldoende voor 64 personen. Het model Arnhem is sober, zonder provinciewapens of andere versieringen.

In 1965 viel het doek. Opvolgers ontbraken, maar gelukkig was het archief behouden en kon de laatste, hoogbejaarde zilversmid, Carl Hendrik Helweg, toelichting geven op documentatie en instrumentarium. Dat alles heeft geresulteerd in een mooi voorbeeld van de wijze waarop de geschiedenis van een bedrijf moet worden geschreven.