Turkse trots over teruggave VS van 'Lydische goudschat'

ANKARA, 31 DEC. Turkije heeft met een indrukwekkende overzichtstentoonstelling in het museum van Anatolische Beschaving in Ankara officieel weer bezit genomen van de uit de zesde eeuw voor Christus daterende 'Lydische schat'. De 363 voorwerpen van glas en kostbare metalen als goud en zilver, muurschilderijen en beeldhouwwerk werden tussen 1965 en 1968 bij stukjes en beetjes met behulp van dorpsbewoners uit meestal bij toeval ontdekte grafkamers in het westen van het huidige Turkije geplunderd en vervolgens verkocht aan Turkse smokkelaars in Izmir en Istanbul. De antieke 'Lydische schat', genoemd naar de Lydiërs, het volk van de legendarische koning Croesus, bereikte via München, Bazel en Zürich uiteindelijk de Verenigde Staten, waar hij voor meer dan een miljoen dollar door het Metropolitan Museum in New York werd aangekocht.

Alhoewel Turkije al in het begin van de jaren zeventig aan de VS liet weten dat de kunstschatten uit roof waren verkregen, weigerde het Metropolitan Museum de antieke voorwerpen terug te geven, waarna het museum in mei 1987 door Turkije voor de federale rechtbank werd gedaagd. Toen het er in 1992 naar uitzag dat de rechtszaak wel eens in het voordeel van Turkije zou kunnen eindigen, stelden de advocaten van het Metropolitian Museum voor om de onderhandelingen buiten de rechtszaal voort te zetten. Engin Özgen, directeur voor monumenten en musea van het Turkse ministerie van cultuur, lacht bij de herinnering hoe hard de gesprekken waren die aanvankelijk heimelijk in zijn werkkamer in Ankara plaatsvonden. Op 22 september 1993 kwam men tenslotte overeen dat de 'Lydische schat' in zijn geheel aan Turkije werd teruggegeven, “omdat bewezen is”, aldus Philippe de Montebello, directeur van het Metropolitan Museum, “dat de meeste voorwerpen inderdaad clandestien uit de grafkamers rondom Usak, het westen van Turkije, zijn verwijderd.” Volgens de directeur waren medewerkers van het Metropolitan Museum zelfs op de hoogte van de 'dubieuze origine' van de kunstschatten.

Özgen, die de vijf meest waardevolle voorwerpen van de 'Lydische schat' persoonlijk uit New York ophaalde, zegt dat het voor het eerst is dat een zo omvangrijke collectie aan de oorspronkelijke eigenaar, in dit geval de Turkse staat, wordt teruggegeven. “Meestal gaat het om afzonderlijke antieke voorwerpen. Maar wat voor ons als ministerie van cultuur vooral van belang is, is dat de kunstschatten niet na een rechterlijke uitspraak naar Turkije zijn terugggekeerd, maar dat we in staat waren de tegenpartij te overtuigen van ons gelijk.” De 363 kunstschatten krijgen volgend jaar samen met de 100 Lydische voorwerpen die Turkije uit handen van de lokale dieven wist te redden, een vaste plaats in het museum van Usak, het gebied waar de Lydiërs woonden.

“De trots waarmee de 'Lydische schat' uit de VS is binnengehaald en nu wordt tentoongesteld in de hoofdstad Ankara, geeft aan dat er een nieuwe wind waait in dit land”, meent Özgen. “De Turken worden zich bewust van hun culturele erfenis. Tot voor kort maakte vrijwel niemand zich druk om wat werd omschreven als de oude stenen waarmee Turkije vol ligt. Maar de nieuwsgierigheid groeit nu naar wat er van al die duizenden jaren van beschavingen is achtergebleven in dit gebied, een unieke scharnier tussen Oost en West. En de gedachte daarbij is die kunstschatten het beste in hun oorspronkelijke omgeving kunnen worden geëxposeerd.”

Volgens Özgen voert Turkije behalve met de VS ook onderhandelingen met musea in enkele Westeuropese landen en de Russische federatie voor de teruggave van aldaar verblijvende antieke voorwerpen. “Zo maken we bij voorbeeld aanspraak op de 'schat van Priamus', het Trojaanse zilver en goud dat in 1873 door de Duitse archeoloog Heinrich Schliemann werd ontdekt aan de westkust van Turkije en dat in 1945 door het Rode Leger uit Berlijn werd weggehaald, maar de eerste prioriteit van het ministerie van cultuur gaat momenteel uit naar het terughalen van die voorwerpen waarvan onvoorwaardelijk vaststaat dat ze Turkije illegaal hebben verlaten of om andere dubieuze redenen buiten Turkije verblijven.” Als voorbeeld noemt hij het standbeeld van de sfinx van Bogazköy, de hoofdstad gedurende het Hitit-tijdperk, dat in 1917 naar (het voormalige Oost-) Berlijn werd vervoerd om te worden gerestaureerd en nooit is teruggekeerd. “Hun argument is dat de sfinx inmiddels in een muur is gemetseld. Wij hebben hen verteld dat ze in staat waren om de Berlijnse muur af te breken en er dus ook wel een manier valt te bedenken om onze antieke sfinx naar Turkije terug te sturen.”