Tante Jettchen en andere Duitsers

In mijn jeugd hoorde ik thuis veel over L. spreken, een plaatsje in het Ruhrgebied. Daar woonde familie van ons, afstammelingen van een - toen al lang overleden - oudtante, die met een zekere C., een Duitser uit L., getrouwd was. Gelukkig voor mijn overgrootvader, die Nederlands-hervormd predikant was, was de familie C. niet luthers, maar behoorde ze tot een kerk die zoiets als niederländisch-reformirt heette.

Zo nu en dan kwamen twee tantes uit L. bij ons logeren, dochters van die oudtante. In mijn kinderogen en herinnering waren tante Jettchen en tante Mietchen dragonders van vrouwen, van top tot teen in het zwart gekleed (een van hen was inderdaad weduwe), met een wit kraagje plus broche om de hals. Ze spraken een onbegrijpelijke taal.

De week vóór Kerstmis wilden we een paar tentoonstellingen in Duitsland bezoeken, één ervan in Wuppertal. Laten we in L. beginnen, opperde ik. Het bleek een landelijk stadje te zijn, volkomen ongedeerd temidden van de andere, platgebombardeerde en herbouwde steden in het Ruhrgebied, dat trouwens, buiten die steden, veel liefelijker is dan je zo zou denken.

Maar L., dat niet vermeld staat in Lannoo's overigens onvolprezen autoboek, is een museumstuk - zonder het kunstmatige, Madurodamachtige van vele andere kleine Duitse steden. Het leek in het vroeg-industriële tijdperk te zijn blijven steken. Een klein centrum met huizen zonder vakbouw, maar met leisteen bedekt. Daaromheen en tegen de berg huizen en villa's uit de Gründerzeit (de tijd na 1871), les plus beaux exemples du mauvais goût du siècle.

Het enige grotere gebouw uit een latere tijd is het Bürgerhaus, een goed voorbeeld van de stijl van de eerste twee decennia van deze eeuw (ik weet niet of die een naam heeft): ook zwaar, maar minder lelijk dan de voorgangers. Met zijn zware, ruwe steenbrokken waaruit het opgetrokken is, doet het denken aan de contemporaine Amerikaanse architectuur, die ook Berlage heeft beïnvloed (behalve dat hij in Nederland niet gemakkelijk aan steenblokken kon komen en het - gelukkig - met baksteen moest doen).

Kortom, L. was een soort ongewild openluchtmuseum, met een goed, niet gestandaardiseerd hotelletje. Wuppertal is slechts à deux pas. Daar was een tentoonstelling van het echtpaar Otto en Paula Modersohn-Becker (1865-1943 en 1876-1907), beiden uit de expressionistische school van Worpswede.

Normaliter zouden we niet apart daarvoor naar Wuppertal zijn gegaan, maar ik had net een boek over haar gelezen, waaruit mij eigenlijk het meest getroffen had dat zij, na de geboorte van haar kind voor het eerst òp, “Wie schade....” zuchtte en stierf. Ik wilde haar werk dus wel eens zien. Ik vond het - alweer - nogal zwaar(moedig) en donker. Kennelijk heb ik me deze keer niet laten beïnvloeden door de - inderdaad irrelevante - wetenschap van haar vroege dood.

Zou dat ook het geval zijn met August Macke (1887-1914), van wie er een tentoonstelling was in het nieuwe, mooie Kunstmuseum in Bonn? Hij was, 27 jaar oud, gesneuveld in de eerste dagen van de Eerste Wereldoorlog, een formidabel oeuvre (en een jonge weduwe en twee zoontjes) achterlatend. Nee, zijn werk staat op zichzelf: een van de groten. Ik kende het trouwens al, vooral van de grote tentoonstelling, ook in Bonn, van 1987.

De tentoonstelling van dit jaar toonde Macke te midden van zijn tijdgenoten, zoals Franz Marc en Wassily Kandinsky. De anderen waren mij onbekend en konden mij minder bekoren dan Macke zelf, Behalve een zekere Hans Thuar.

In de aangrenzende Kunsthalle, eveneens nieuw, was een tentoonstelling Sehsucht geheten, gewijd aan de panoramacultuur van de achttiende en negentiende eeuw (het enige overgebleven voorbeeld ervan in Nederland is het Panorama Mesdag in Den Haag). Een fascinerende, zeer uitvoerige en instructieve tentoonstelling.

Bad Homburg, met een tentoonstelling van werken uit het museum van Boekarest, en Frankfort, met een van zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderijen die met lezen te maken hebben, stonden ook op het programma, maar het beestenweer deed ons besluiten huiswaarts te keren. Jammer, vooral wegens die laatste tentoonstelling, maar op die manier bleken we tenminste de overstromingen vóór te zijn geweest.

In plaats daarvan even Krefeld aangedaan, waar, in het nabij gelegen Linn, een nieuw textielmuseum is, een kleinere, maar zeker niet minder moderne uitgave van het textielmuseum van de Abegg Stiftung in het Zwitserse Riggisberg. De tentoonstelling in het Kaiser-Wilhelm-Museum van foto's over de architectuur waarvan het Bürgerhaus in L. een specimen is, lieten we, ook wegens het weer, lopen.

Op weg naar huis Gouda aangedaan, waar in het Catharijnegasthuis een tentoonstelling van W.B. Tholen (1860-1931) te zien is. Wie nog twijfelt aan het bestaan van een Nederlandse identiteit moet daar naar toe. Vooral na een bezoek aan Duitse musea is het contrast groot. Niet dat Tholen zich kan meten met een schilder als Macke, maar het is zo Hollands! We voelden ons weer thuis.

Het aardigste schilderij is ongetwijfeld dat van de twee lezende zusjes Arntzenius (1896), over wier ongedwongen houding, hangend in stoelen, de toenmalige kritiek gechoqueerd was. Er zijn ook andere juweeltjes, waaronder de Willemstraat in Den Haag. Daarnaast waren er enkele die eigenlijk nauwelijks verschilden van de bekende schoolplaten uit die tijd: ambachtelijk goed, maar zonder spoor van genie. Thuisgekomen zagen we op de televisie de overstromingen in de gebieden die we zojuist bereisd hadden.